voortplanting
SEKSUEEL OVERDRAAGBARE AANDOENINGEN (SOA)
Seksueel overdraagbare aandoeningen (afgekort tot SOA, vroeger meestal geslachtsziekten genoemd) zijn zeker niet alleen van deze tijd. In alle bekende culturen in de Oudheid kwamen SOA voor. Bij de infectieziekten die de wereldgeschiedenis hebben beïnvloed, zoals pest, pokken, vlektyfus, malaria, nemen SOA een zeer vooraanstaande plaats in. Oorlogen en daarmee samenhangende troepenverplaatsingen, armoede, prostitutie en seksueel misbruik vormden een uitstekende basis voor de verspreiding van SOA. In onze huidige samenleving komen dankzij betere levensomstandigheden, goede hygiëne en de beschikbaarheid van antibiotica en vaccins, veel infectieziekten nauwelijks meer voor. Daarentegen veroorzaken SOA nog steeds veel problemen. Er is de afgelopen jaren zelfs weer een toename te zien. Ook worden nog nieuwe SOA ontdekt.
Bij SOA gaat het om aandoeningen die het gevolg zijn van infecties door micro-organismen die door seksueel contact worden overgedragen, vandaar de naam SOA. In de Middeleeuwen dacht men dat er slechts één type SOA bestond, die zich in verschillende vormen kon openbaren. Men sprak dan van de venusziekte. Tegenwoordig weten wij dat de verschillende SOA verschillende verwekkers hebben. Net als andere infectieziekten kunnen SOA door virussen, bacteriën, schimmels of parasieten worden veroorzaakt
.
Een ‘kwikbehandeling’ van een SOA in de Middeleeuwen.
De belangrijkste SOA zijn:
gonorroe;
chlamydia-infectie;
trichomoniasis;
syfilis;
herpes genitalis;
genitale wratten;
hepatitis B;
aids.
Een aantal van deze infecties beperkt zich vrijwel tot de geslachtsorganen. Dat is het geval bij gonorroe, trichomoniasis, herpes genitalis en chlamydia-infecties. Bij syfilis, hepatitis B en aids zijn de geslachtsorganen alleen maar de toegangspoort voor bepaalde verwekkers, die vervolgens elders in het lichaam weefsels en organen aantasten.
SOA vormen nog steeds een bedreiging voor de volksgezondheid. Vanaf het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft men in West-Europa een flinke stijging van de meest voorkomende SOA kunnen waarnemen. De indruk bestaat dat een aantal factoren hierbij een rol heeft gespeeld. Economische en sociale veranderingen, zoals industrialisatie en verstedelijking, massatoerisme, gastarbeid, vluchtelingen enzovoort, werken de verspreiding van SOA in de hand. Daarnaast kunnen wijzigingen in ethische, morele en gedragsnormen invloed hebben op het vóórkomen van SOA. De anticonceptiepil biedt, in tegenstelling tot het condoom, geen bescherming tegen SOA. De vrijere seksuele moraal die mede dankzij de ‘pil’ op gang kon komen, heeft dus bijgedragen aan de stijging van het aantal gevallen van SOA.
Voor een geslaagde bestrijding van geslachtsziekten is tijdige herkenning noodzakelijk, en indien mogelijk een volledige behandeling met antibiotica en voldoende nacontrole. Dat geldt vanzelfsprekend voor de patiënt die met klachten van een SOA bij een arts aanklopt, maar ook voor de partner en alle andere personen met wie de patiënt seksueel contact heeft gehad. Het is een wijdverbreid misverstand te denken dat als men geen klachten heeft, er geen besmetting is. In veel gevallen worden SOA juist ‘doorgegeven’ door personen die (nog) geen klachten hebben, maar wel besmet zijn.
Gonorroe
Gonorroe wordt veroorzaakt door een bacterie (Neisseria gonorrhoeae, ook
wel gonokok genoemd) die vooral het slijmvlies van de urinebuis (urethra)
infecteert. Men spreekt dan van een uretritis. Er wordt geelgroen slijm
en pus gevormd dat onaangenaam ruikt en uit de penis kan lekken. Vandaar dat
deze SOA ook wel ‘druiper’ wordt genoemd. Meestal is er ook sprake van
pijn en irritatie bij het plassen. De eerste klachten ontstaan twee tot tien
dagen na de besmetting. Besmette vrouwen hebben, afgezien van wat meer
afscheiding uit de vagina, dikwijls geen klachten. Afhankelijk van de seksuele
gewoonten kunnen ook de slijmvliezen van de anus en van de mond- en keelholte
besmet raken.
Als gonorroe niet afdoende wordt behandeld, kan bij vrouwen een eileiderontsteking (salpingitis) en uiteindelijk zelfs onvruchtbaarheid ontstaan. Bij mannen kunnen een bijbalontsteking (epididymitis) en een prostaatontsteking (prostatitis) optreden. In 20 tot 40 procent van de gevallen heeft een patiënt met gonorroe ook een chlamydia-infectie (zie hieronder).
Antibiotica
De meeste gevallen van gonorroe konden tot het begin van de jaren tachtig vrij
gemakkelijk worden behandeld met
penicillinen. Een éénmalige injectie met
procaïnebenzylpenicilline (Bicilline®) of het via de mond innemen van een
éénmalige hoge dosis amoxicilline in combinatie met
probenecide (Benemid®) zorgde meestal voor een snelle genezing. Tegenwoordig
zijn veel verwekkers van gonorroe resistent tegen penicillinen (zie ook 'Antibiotica
in de Problemen' in de sectie 'Infectieziekten'), zodat vaak moet worden uitgeweken naar andere
antibiotica. Ceftriaxon (Rocephin®) of cefotaxim (Claforan®)
zijn
cefalosporinen, die in
een éénmalige injectie in een spier (intramusculair) worden toegediend.
Ciprofloxacine
(Ciproxin®), behorende tot de
chinolonen, in een éénmalige dosis via de mond is dan het alternatief. Omdat er
een vrij grote kans bestaat op een menginfectie (met chlamydia, zie
hieronder), wordt
ook het macrolidepreparaat azitromycine (Zithromax®)
voorgeschreven, dat in een eenmalige dosis (twee tabletten) gelijktijdig met één
van de drie andere antibiotica moet worden ingenomen.
Uiteraard moet ook iedereen worden behandeld met wie de patiënt de afgelopen
maanden seksueel contact heeft gehad, ook als die persoon geen klachten heeft!
Bij zwangerschap wordt in plaats van ciprofloxacine amoxicilline
en in plaats van azitromycine erytromycine (Erythrocine®, Erythrocine-ES®) gegeven. Beide middelen worden via de mond
gedurende zeven dagen gebruikt. Deze antibiotica kunnen als bijwerking soms
maag-darmstoornissen (misselijkheid, buikpijn, diarree) veroorzaken.
Chlamydia-infectie
Bij mannen is deze infectie op dit moment de meest voorkomende SOA. De infectie
wordt veroorzaakt door Chlamydia trachomatis, een micro-organisme dat het
midden houdt tussen een virus en een bacterie. De klachten zijn vrijwel gelijk
aan die bij gonorroe, dus afscheiding en pijn en irritatie bij het plassen. Dus
ook bij deze SOA is sprake van een uretritis. Meestal zijn de klachten
wat milder dan bij gonorroe. In principe kan de verwekker zich overal in de
geslachtsdelen nestelen. Vrouwen hoeven in het geheel geen klachten te hebben.
Veel later kan dan een eileiderontsteking (salpingitis) of een
buikvliesontsteking (peritonitis) ontstaan, die beide gepaard gaan met
hevige pijnen en koorts. Een besmette zwangere vrouw kan tijdens de bevalling de
besmetting op de pasgeborene overbrengen. Daardoor kan bij de baby een ernstige
ooginfectie ontstaan.
Macroliden en tetracyclinen
Chlamydia-infecties zijn moeilijker te behandelen dan gonorroe, omdat slechts
weinig antibiotica werkzaam zijn. In feite zijn alleen
macroliden en
tetracyclinen (zie ook
de sectie 'Infectieziekten') effectief. Meestal schrijft de arts twee tabletten azitromycine
(Zithromax®) voor, die in één keer moeten worden ingenomen. Het alternatief is
tweemaal daags één tablet doxycycline (Doxy Disp®,
Efracea®,
Vibramycin®) gedurende zeven dagen. De kans op
bijwerkingen is vrij groot; vooral maag-darmklachten als misselijkheid, braken
of diarree komen voor. Net als bij gonorroe moet ook elke seksuele partner
worden behandeld. Bij zwangerschap mag men beslist geen doxycycline gebruiken,
omdat dit middel het ongeboren kind kan beschadigen. Dan komt eigenlijk alleen
erytromycine (Erythrocine®, Erythrocine-ES®) in aanmerking.
Erytromycine kan als bijwerking soms wat maag-darmstoornissen
(misselijkheid, buikpijn, diarree) veroorzaken.
Trichomoniasis
Trichomoniasis – er is jammer genoeg geen goed Nederlands woord voor – is
een infectie van de geslachtsorganen die wordt veroorzaakt door de parasiet
Trichomonas vaginalis. Omdat de klachten die door deze infectie ontstaan,
vrijwel altijd alleen bij vrouwen voorkomen, spreekt men meestal van
Trichomonas-vaginitis, dus een ontsteking van de vagina (vaginitis) door Trichomonas.
Dat wil overigens niet zeggen dat deze parasieten niet bij mannen kunnen
voorkomen, maar mannen kunnen deze micro-organismen bij zich dragen zonder dat
ze er last van hebben. Bij seksueel contact met een vrouw kunnen ze worden
overgedragen en dan een infectie met klachten veroorzaken. De vagina raakt
ontstoken en er vormt zich een geelgroene, schuimende afscheiding die
onaangenaam ruikt. De schaamlippen en de binnenkant van de vagina worden rood en
gezwollen en er ontstaat jeuk en irritatie. Hoewel deze infectie hinderlijk en
soms pijnlijk is, is ze niet echt ernstig.
Metronidazol
De behandeling met medicijnen is eenvoudig en effectief. Metronidazol
(Flagyl®) is het middel van eerste keuze (zie ook
overige
middelen in het onderdeel 'Ziekteverwekkers & Antibiotica' in de
sectie 'Infectieziekten').
Een dosering van vier tabletten van 500 mg, in één keer in te nemen tijdens of
na de maaltijd, is in principe voldoende om de infectie volledig te genezen.
Afgezien van wat maag-darmstoornissen (misselijkheid), een hinderlijke metaalsmaak of
hoofdpijn, wordt dit middel meestal goed verdragen. Tijdens de behandeling
(tot twee dagen na de eenmalige inname) mag geen alcohol worden gebruikt,
omdat een zogenoemde alcoholintolerantie kan ontstaan. Dat is het gevolg
van het effect van deze medicijnen op de omzetting van alcohol in de lever. Bij
de afbraak van alcohol wordt een giftig ‘tussenproduct’ gevormd, dat
onder invloed van een van deze middelen niet verder wordt afgebroken. Ophoping
van deze stof in het lichaam kan zeer onaangename gevolgen hebben, zoals
duizeligheid, kloppende hoofdpijn, misselijkheid en zelfs braken, buikkrampen en
sterk transpireren. Men kan er behoorlijk ziek van worden, ook al is het maar
zeer tijdelijk.
Het is van groot belang dat ook de seksuele partner(s) worden behandeld, ook al heeft hij of zij volstrekt geen klachten. Blijft behandeling achterwege, dan is de kans groot dat de infectie door herbesmetting binnen de kortste tijd opnieuw de kop opsteekt. In de eerste drie maanden van de zwangerschap mag metronidazol niet via de mond worden ingenomen. Het mag dan uitsluitend lokaal worden toegediend, dus via een vaginale tablet of ovule. De behandeling duurt dan wel langer, namelijk tien dagen.
Syfilis
In 1495 brak onder de bevolking van Napels en onder Franse huurlingen die de
stad hadden bezet, een epidemie uit van een vreselijke ziekte. Het begin was
acuut met koorts, hoofdpijn, een ontstoken keel, opgezette lymfeklieren en een
ernstig ziektegevoel. Veel patiënten stierven na enkele weken onder ondraaglijke
pijnen en met zweren over het gehele lichaam. De artsen van toen stonden voor een
raadsel. Het onbekende ziektebeeld werd ‘Napelse ziekte’ genoemd. De
ziekte was echter al eerder gesignaleerd in Barcelona, en wel in 1493, het jaar
waarin Columbus terugkeerde van zijn reis naar Amerika. Er werden namen als ‘Spaanse
pokken’ of ‘Spaanse schurft’ gebruikt voor de ziekte die we nu
syfilis (of lues venerea) noemen. Algemeen wordt aangenomen dat
syfilis vanuit het Amerikaanse continent door de expeditie van Columbus in
Europa is geïmporteerd. De infectie bleek voor de Europeanen, die er nog niet
eerder mee in aanraking waren geweest, veel schadelijker te zijn dan voor de
Amerikaanse inboorlingen, de indianen.
Tegenwoordig is het verloop van deze ziekte een stuk milder dan vijf eeuwen geleden. Toch zijn de late gevolgen zo ernstig dat syfilis nog altijd als een zeer gevaarlijke ziekte te boek staat. De ziekte kent een aantal stadia, die elkaar opvolgen. Het eerste stadium ontstaat ongeveer twee tot drie weken na besmetting met de verwekker Treponema pallidum en bestaat uit een zweertje (‘harde sjanker’), meestal op de geslachtsorganen. Afhankelijk van de seksuele gewoonten kan het zweertje zich ook in de anus of mondholte voordoen. Nadat het zweertje spontaan is verdwenen, kan na enkele weken tot maanden het tweede stadium ontstaan dat vooral wordt gekenmerkt door huiduitslag. Ook andere verschijnselen kunnen zich dan voordoen, zoals een grieperig gevoel, hoofdpijn, lusteloosheid, keelpijn en haaruitval. Deze algemene verschijnselen hangen nauw samen met de aanwezigheid van de bacterie in diverse organen van het lichaam en de hevige afweerreactie van de patiënt op de besmetting. Ook deze klachten kunnen spontaan verdwijnen. Na een periode zonder symptomen en klachten, die maanden tot vele jaren kan duren, kan bij een deel van de patiënten het derde stadium ontstaan. Nu is de ziekte in een bepaald orgaan gelokaliseerd. Meestal is dat het centrale zenuwstelsel. Een van de verschijnselen in het derde stadium van syfilis werd vroeger ‘ruggenmergtering’ (tabes dorsalis) genoemd. Daarbij treden coördinatiestoornissen (de ‘hanenstap’), pijn in lendenen en ledematen, achteruitgang of verlies van het gezichtsvermogen en maag-darmstoornissen op. Het geestesvermogen blijft meestal intact. Bij sommige patiënten worden echter juist de hersenen aangetast. Dit leidt tot een vorm van krankzinnigheid (dementia paralytica) die gepaard gaat met grootheidswaan, hallucinaties of een volledig verlies van het verstandelijke vermogen.
Behalve syfilis die door seksueel contact wordt opgelopen, bestaat ook de aangeboren syfilis. In dat geval wordt het kind in de baarmoeder besmet door de moeder die aan syfilis lijdt, omdat de ziekteverwekkers de moederkoek (placenta) kunnen passeren. Gelukkig is aangeboren syfilis zeldzaam geworden, doordat zwangere vrouwen consequent op de ziekte worden gecontroleerd.
Penicillinen
Bij het stellen van de diagnose, maar ook bij de behandeling, is vooral het
bloedonderzoek van belang. Het aantonen van antistoffen die het lichaam
produceert als reactie op de besmetting, is belangrijker dan het aantonen van de
ziekteverwekker. Bij de behandeling van syfilis zijn
penicillinen
(in het onderdeel 'Ziekteverwekkers' in de sectie 'Infectieziekten') nog
steeds middelen van eerste keuze. Een éénmalige injectie met
benzathinebenzylpenicilline (Penidural®) is meestal voldoende om syfilis in
het eerste stadium afdoende te behandelen. Syfilis in het tweede of derde
stadium wordt ook behandeld met benzathinebenzylpenicilline-injecties, maar veel
intensiever. Ook de behandeling van zwangere vrouwen is intensief. Na de
behandeling moet altijd het bloed worden gecontroleerd. Is de patiënt
overgevoelig voor penicillinen, dan moet uitgeweken worden naar
cefalosporinen: ceftriaxon (Rocephin®) of
cefotaxim (Claforan®) per injectie gedurende tien dagen (ook
aan zwangere vrouwen), of moet doxycycline (Doxy Disp®,
Efracea®, Vibramycin®), een
tetracycline worden geslikt (niet door zwangere
vrouwen!), eveneens gedurende tien dagen.
Herpes genitalis
De verwekker van herpes genitalis is een virus dat zeer nauw verwant is aan de
verwekker van de bekende koortsblaasjes op de lippen (zie ook
herpesinfecties). Herpes genitalis wordt
gekenmerkt door steeds terugkerende symptomen rond de geslachtsdelen, zoals een
branderig gevoel, jeuk en pijnlijke blaasjes die overgaan in zweertjes. Bij de
man ontstaan de blaasjes vooral op de eikel en de voorhuid, maar ook wel eens in
de anus, vooral bij homoseksuele mannen. Bij de vrouw zijn de schaamlippen vaak
het doelwit. Vrouwen hebben meestal meer klachten dan mannen. De eerste periode
van klachten is meestal de hevigste. Na twee tot drie weken verdwijnen de
klachten spontaan. De klachten komen steeds terug, omdat het virus zich
‘terugtrekt’ in zenuwknopen en bij weerstandsvermindering weer naar de huid of
de slijmvliezen verhuist en daar opnieuw klachten veroorzaakt. Het grootste
gevaar van herpes genitalis is de kans dat een besmette zwangere vrouw de
besmetting tijdens de bevalling op haar kind overbrengt. Bij de baby kunnen dan
zeer ernstige ziekteverschijnselen ontstaan, doordat het centrale zenuwstelsel
is aangetast. Dit gevaar kan soms worden omzeild door bij de aanstaande moeder
een keizersnede uit te voeren.
Antivirale middelen
De mogelijkheden van behandeling zijn beperkt. Er zijn maar weinig medicijnen
die het ziekteverloop kunnen beïnvloeden. Alle antibiotica die effectief zijn
bij bacteriële infecties, zijn onwerkzaam. Alleen bepaalde antivirale
middelen zijn (enigszins) werkzaam. Tot voor kort was er slechts één
middel beschikbaar dat enigszins helpt, namelijk aciclovir (Zovirax®).
Hoewel de infectie niet definitief verdwijnt, vermindert aciclovir de klachten
(pijn en jeuk) en versnelt het de genezing van de blaasjes en de zweertjes
aanzienlijk. Ook de periode waarin het herpesvirus uit de huidblaasjes wordt
uitgescheiden, en daarmee de periode van besmettelijkheid, wordt duidelijk
bekort. Aciclovir moet dan in ieder geval gedurende vijf dagen worden geslikt,
en wel vijfmaal per dag een tablet van 200 mg. Nieuwere middelen met een
vergelijkbare werking zijn famciclovir en valaciclovir
(Zelitrex®). Het voordeel van deze middelen is dat ze niet vijfmaal per dag,
maar drie- respectievelijk tweemaal per dag moeten worden geslikt. Zwangere
vrouwen mogen alleen aciclovir gebruiken. Als bij een patiënt de klachten meer
dan zes keer opvlammen, kan de arts overwegen hem/haar continu famciclovir te laten
slikken. Eénmaal per dag een tablet is dan voldoende. Na een jaar wordt dan
beoordeeld of de behandeling heeft geholpen. Om de ergste klachten tijdelijk te
verzachten kan lokaal zinkolie (Zinkoxide Smeersel FNA), al dan niet
gecombineerd met het lokale verdovingsmiddel lidocaïne, op de aangedane
plekken worden toegepast.
Genitale wratten
Deze relatief onschuldige aandoening (condylomata acuminata)
is het gevolg van een infectie met een virus (humaan papillomavirus) dat
door seksueel contact wordt overgebracht. De in omvang toenemende wratten
ontstaan enkele weken tot maanden na besmetting. Meestal zijn ze niet pijnlijk,
maar soms kunnen ze wel jeuken. Echt schadelijk voor de gezondheid zijn ze niet.
Om andere (geslachts)ziekten uit te sluiten, wordt meestal bloed- en
urineonderzoek verricht. De grotere wratten kunnen chirurgisch, dat wil zeggen
door bevriezen en wegsnijden, elektrocoagulatie of CO2-laserbestraling,
worden verwijderd. Een andere mogelijkheid is de wratten aan te stippen met
podofyllotoxine als applicatievloeistof (Condyline®) of als crème (Wartec®).
De applicatievloeistof of de crème moet tweemaal per dag gedurende drie
opeenvolgende dagen door de patiënt zelf worden aangebracht (de vloeistof met
behulp van de bijgeleverde applicator). Zo nodig kan deze kuur iedere week
worden herhaald, met een maximum van vijf opeenvolgende weken. Een nieuwere en
waarschijnlijk effectievere optie is een crème met imiquimod (Aldara®).
Een definitieve behandeling met antibiotica of antivirale
middelen is niet mogelijk. Nadat de wratten
zijn verwijderd, kunnen ze na korte of langere tijd weer terugkomen.
Hepatitis B
Het heeft lang geduurd voordat duidelijk werd dat
hepatitis B
(zie ook 'Lever en Galwegen' in de sectie 'Spijsvertering & Lever') door seksueel contact kan worden overgebracht. Het gaat om een
ontsteking van de lever door het hepatitis-B-virus. Men sprak vroeger ook
van serumhepatitis, omdat men dacht dat besmetting alleen via een
bloedtransfusie of via geïnfecteerde injectiespuiten kon plaatsvinden. Nu is
duidelijk dat het virus ook vanuit besmet sperma via slijmvlieswondjes in de
bloedbaan van de partner terecht kan komen. Behalve drugsverslaafden die
geïnfecteerd raken door besmette injectienaalden, zijn vooral homoseksuele
mannen met veel wisselende contacten het slachtoffer van het virus.
De ziekte begint pas zes weken tot zes maanden na de besmetting. De eerste klachten zijn misselijkheid, verlies van eetlust, koorts, branderige ogen en pijn rechts in de bovenbuik. Na enige tijd kan ook geelzucht ontstaan. Bij een aantal patiënten verloopt de ziekte zonder duidelijke verschijnselen. De duur van de ziekte loopt sterk uiteen, van zo’n zes weken tot een half jaar. De meeste patiënten genezen volledig, zonder al te veel nadelige gevolgen voor de lever. In 10 tot 15 procent van de gevallen wordt de ziekte chronisch, terwijl ongeveer 1 procent van de patiënten overlijdt. Van de patiënten die een infectie hebben doorgemaakt, blijft 5 tot 10 procent virusdrager, dat wil zeggen dat ze besmettelijk blijven voor anderen.
De mogelijkheden van een effectieve behandeling zijn beperkt: ‘uitzieken’, een vetarm dieet en geen alcohol, dus maatregelen om de zieke lever zo veel mogelijk rust te gunnen bij het herstel.
Interferonen
Bij chronische hepatitis B wordt
tegenwoordig
een behandeling met interferon-alfa (Intron A®, Roferon A®)
of peginterferon-alfa (Pegasys®, Pegintron®) overwogen. Behorende tot
de interferonen (een groep lichaamseigen stoffen die cellen beschermen
tegen virussen) is (peg)interferon-alfa
een eiwitachtige stof die via een recombinant-DNA-techniek (met bacteriën) is
bereid.
Het middel kan alleen per injectie worden toegediend, en wel driemaal per week
gedurende vele maanden. Bij chronische hepatitis B lijkt 40 procent van de
patiënten
dan te zijn genezen. De bijwerkingen zijn niet gering; het merendeel van de
patiënten vertoont griepachtige symptomen zoals vermoeidheid, koorts, koude
rillingen, verlies van eetlust, spierpijn, hoofdpijn, gewrichtspijn,
transpireren. Als de behandeling met interferonen niet werkzaam blijkt of niet
wordt verdragen dan komt het gebruik van adefovir (Hepsera®),
entecavir (Baraclude®), lamivudine (Epivir®, Zeffix®)
of telbivudine (Sebivo®) in aanmerking. Deze antivirale middelen
kunnen via de mond (oraal) worden
toegediend.
Lamivudine wordt ook gebruikt bij de behandeling van aids (zie hieronder), waarvoor het
oorspronkelijk
werd ontwikkeld. Ook deze middelen veroorzaken nogal wat bijwerkingen: vooral
vermoeidheid en lusteloosheid en verder hoofdpijn en maag-darmstoornissen.
Vaccinatie
Sinds het begin van de jaren tachtig kunnen mensen met een verhoogd risico op
hepatitis B met drie
vaccinaties effectief worden beschermd tegen besmetting
met het virus middels het hepatitis B-vaccin. De seksuele
partner(s) van iemand die ooit hepatitis B heeft doorgemaakt, moet(en) in ieder
geval worden gevaccineerd. Dat geldt ook voor de huisgenoten en/of andere leden
van het gezin. Vanaf 2012 worden alle pasgeborenen routinematig via het
Rijksvaccinatieprogramma gevaccineerd tegen hepatitis B (zie ook 'Immuniteit
en Vaccinatie' in de sectie 'Infectieziekten').
Aids
Deze ziekte, die lange tijd vrijwel altijd dodelijk verliep, wordt
veroorzaakt door het aids-virus, ook vaak HIV (humaan
immunodeficiëntievirus) genoemd. Aids is de afkorting van ‘acquired
immunodeficiency syndrome’; vrij vertaald betekent dit ‘een verworven
tekortschieten van het afweersysteem’. HIV is een zogenaamd retrovirus,
een virustype dat erfelijke informatie bewaart in de vorm van RNA in plaats van
DNA (zie ook 'Gentherapie' in de sectie 'Algemeen').
Het virus tast de functie van het afweersysteem aan, waardoor verschillende ziekteverwekkers, die normaal gesproken geen probleem voor het lichaam vormen, vrij spel krijgen. Longontstekingen, hersen(vlies)ontsteking, kanker of ernstige huidaandoeningen tasten het lichaam aan en leiden uiteindelijk tot de dood. Behalve door seksueel contact kan aids ook worden overgedragen via besmette injectienaalden of via transfusies met besmet bloed. In Nederland zijn homoseksuele mannen, drugsverslaafden die elkaars injectienaalden gebruiken en patiënten met bloederziekte (hemofilie) de belangrijkste risicogroepen. Deze laatste categorie loopt tegenwoordig veel minder gevaar omdat het donorbloed intensief wordt gecontroleerd en er in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van stollingsfactoren die verkregen zijn met recombinant-DNA-technieken, waaraan geen donorbloed meer te pas komt (zie ook ‘Bloederziekte’ in de sectie 'Bloed & Bloedsomloop'). Een vierde risicogroep zijn personen die beroepshalve met bloed werken, zoals artsen en ziekenhuispersoneel. Zij lopen risico doordat men zich bijvoorbeeld per ongeluk prikt aan een met HIV besmette naald. Dat gevaar geldt trouwens ook bij besmetting met hepatitis B.
De besmetting kan worden aangetoond met behulp van bloedonderzoek. Nadat het lichaam in aanraking is geweest met HIV, maakt het antistoffen. Het virus nestelt zich in bepaalde typen witte bloedcellen (zogenoemde CD4-positieve T-lymfocyten) die andere cellen van het afweersysteem activeren en reguleren. Het erfelijke materiaal van het virus, het RNA, wordt eerst met een viraal enzym (het reverse transcriptase) omgezet in DNA en wordt vervolgens opgenomen in het DNA van de geïnfecteerde cel. Het virus vermeerdert zichzelf in de cel, waardoor deze uiteindelijk wordt vernietigd en nieuwe virusdelen vrijkomen die weer andere witte bloedcellen besmetten. Een besmet persoon met antistoffen tegen HIV wordt ‘seropositief’ genoemd. Deze persoon kan lang klachtenvrij zijn. Pas na (vele) jaren kunnen de eerste ziekteverschijnselen zich openbaren doordat het aantal CD4-positieve T-lymfocyten dan substantieel is afgenomen. Waarom de ene seropositieve persoon al vrij snel ziek wordt en de andere pas na vele jaren, is nog niet geheel duidelijk.
|
Aids-epidemie? |
|
In het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw ontdekten medici in Amerika
een plotselinge
toename van twee aandoeningen bij homoseksuele mannen: het zogenoemde
Kaposi-sarcoom,
een zeldzame vorm van kanker, en een longontsteking die alleen bij patiënten
met een sterk verminderde afweer voorkomt. De onderdrukking van het
afweersysteem,
die beide ziekten mogelijk maakte, werd later aids genoemd. Deze ontregeling van
het
afweersysteem trof men ook aan bij spuitende harddrugsgebruikers, patiënten met
bloederziekte
en mensen die een bloedtransfusie hadden gekregen. Later kwam deze afwijking
ook bij heteroseksuelen voor. Vrij spoedig daarna werd ontdekt dat de
afwijkingen van het
afweersysteem werden veroorzaakt door een virale besmetting. Er bleken twee
typen HIV
te bestaan: HIV-1, dat het meest op het westelijk halfrond, in Europa, in Azië
en in oostelijk
Afrika voorkomt, en HIV-2, dat vooral in West-Afrika aids veroorzaakt. |
Vele medicijnen
Een behandeling waarmee aids definitief kan worden genezen, bestaat (nog) niet.
Volgens sommige deskundigen is het de vraag of die er ooit komt. Door de
wereldwijde
aandacht en de dramatische gevolgen van een HIV-infectie zijn er in korte tijd
veel
nieuwe medicijnen ontwikkeld, die het verloop van de ziekte gunstig kunnen
beïnvloeden.
Ze worden antiretrovirale middelen
of
aidsremmers genoemd. Zidovudine (Retrovir
AZT®)
kwam als eerste beschikbaar, nadat ontdekt was dat aids door HIV wordt
veroorzaakt.
Dit middel remt de vermenigvuldiging van het virus in het lichaam door remming
van
het virale enzym reverse transcriptase. Omdat zidovudine chemisch sterk lijkt op
bepaalde bouwstenen van het DNA, de zogenoemde nucleosiden, wordt het een
nucleoside-reverse-transcriptaseremmer (NRTI) genoemd. Abacavir (Ziagen®),
didanosine (Videx®), emtricitabine (Emtriva®), lamivudine (Epivir®, Zeffix®), stavudine (Zerit®)en tenofovir (Viread®) zijn nieuwere middelen uit dezelfde groep.
Er zijn
echter
ook reverse-transcriptaseremmers die geen nucleosidestructuur hebben. Die worden
non-nucleoside-reverse-transcriptaseremmers (NNRTI’s) genoemd. Anders dan de
NRTI’s
hoeven deze stoffen niet eerst geactiveerd te worden om werkzaam te worden. Tot
deze
groep behoren efavirenz (Stocrin®), etravirine (Intelence®) en nevirapine (Viramune®).
Een derde groep
medicijnen tegen HIV-infecties zijn de zogenoemde proteaseremmers. Het enzym
protease
zorgt ervoor dat de virusdelen uit de gastheercellen weer andere cellen kunnen
besmetten. Atazanavir (Reyataz®), darunavir (Prezista®),
fosamprenavir (Telzir®), indinavir (Crixivan®), lopinavir/ritonavir
(Kaletra®), nelfinavir (Viracept®), ritonavir (Norvir®), saquinavir (Fortovase®,
Invirase®), tipranavir (Aptivus®) zijn alle proteaseremmers.
Een vierde groep zijn de zogenaamde fusieremmers: deze remmen de
fusie van het virusdeeltje met de humane CD4-cel, waardoor het virus
niet de cel kan binnendringen. Enfuvirtide (Fuzeon®) is tot nu toe
het enige middel uit deze groep dat in Nederland verkrijgbaar is. Maraviroc
(Celsentri®) en raltegravir (Isentress®) behoren tot de
nieuwste generaties antiretrovirale middelen met elk weer een iets
ander werkingsmechanisme.
Alle middelen uit bovengenoemde groepen verhinderen de vermeerdering van het virus, waardoor in principe de voortgang van de ziekte wordt vertraagd. Door schade en schande is echter gebleken dat als slechts één middel (monotherapie) tegen de virale indringers wordt ingezet, de strijd vrij snel beslist wordt ten gunste van het virus. Er ontstaat namelijk zeer snel resistentie, waardoor het middel niet meer werkzaam is. Dat komt doordat het virus voortdurend verandert, waardoor snel varianten ontstaan die ongevoelig zijn voor het medicijn. Tegenwoordig wordt altijd een combinatietherapie van enkele middelen uit verschillende groepen medicijnen gebruikt. Men heeft vastgesteld dat HIV-geïnfecteerden die worden behandeld met een combinatietherapie, niet alleen minder snel ziekteverschijnselen krijgen, maar ook (veel) langer blijven leven. In de praktijk bestaat de combinatietherapie meestal uit twee NRTI’s en één proteaseremmer, of uit twee NRTI’s en één NNRTI. Deze zogenoemde HAART ('highly active antiretroviral therapy') heeft ervoor gezorgd dat aids niet meer als een dodelijke ziekte wordt beschouwd, maar als een ernstige, chronische ziekte.
Maar ook veel bijwerkingen!
Tegenover de voordelen van de huidige medicijnen staan behoorlijk wat nadelen.
Men
moet zich realiseren dat er geen definitieve genezing mogelijk is, zoals wél het
geval
is bij de behandeling van een bacteriële infectie met een antibioticum. Een en
ander
houdt in dat de medicijnen dag in dag uit trouw moeten worden ingenomen
gedurende
de rest van het leven. Elk middel uit bovengenoemde groepen veroorzaakt veel
bijwerkingen,
die variëren van misselijkheid, buikpijn, hoofdpijn, huiduitslag en spierpijn
tot bloedarmoede, lever- en nierafwijkingen en effecten op het perifere en
centrale
zenuwstelsel.
Een zeer nare bijwerking van langdurig gebruik van de combinatietherapie is het lipodystrofiesyndroom. Bij dit syndroom ontstaat een abnormale verdeling van het lichaamsvet over het lichaam. Door het verlies van onderhuids vetweefsel krijgen patiënten ingevallen wangen en dunne armen en benen, terwijl in andere delen van het lichaam een vetstapeling ontstaat in de vorm van een stierennek (‘buffalo hump’) en/of een sterk toegenomen buikomvang. Het lichaamsuiterlijk kan zo sterk veranderen dat de patiënt zich niet meer op straat durft te vertonen. Het ontstaan van het lipodystrofiesyndroom lijkt samen te hangen met het gebruik van proteaseremmers in combinatie met NRTI’s. Een adequate preventie of behandeling van deze cosmetisch zeer hinderlijke bijwerking is nog niet beschikbaar.
Overige SOA
Candidiasis
Candidiasis die door een gistachtige schimmel (Candida albicans) wordt
veroorzaakt,
komt heel vaak voor en is betrekkelijk onschuldig. Bij vrouwen, bij wie deze
aandoening het meest voorkomt, spreekt men ook wel van
witte vloed, fluor
vaginalis of vaginale candidose. Het is beslist niet zo dat deze infectie alleen door seksueel contact
wordt
overgedragen; eigenlijk gebeurt dat maar sporadisch. In feite zijn zeer veel
vrouwen
draagster van deze micro-organismen, zonder dat zij daar last van hebben. Onder
bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld na gebruik van bepaalde antibiotica die de
groei van bacteriën in de vagina remmen, kan ‘overgroei’ van Candida ontstaan,
met
als gevolg ziekteverschijnselen. Andere omstandigheden zijn zwangerschap,
suikerziekte
en het gebruik van
corticosteroïden. Ook het veelvuldig wassen met zeep of het
gebruik
van intiemsprays kan aanleiding zijn voor zo’n infectie. Doordat deze andere
oorzaken
veel vaker voorkomen, is er met recht twijfel gerezen of deze aandoening een SOA
moet worden genoemd.
De klachten bij vrouwen bestaan uit een ontsteking met veel afscheiding, die
eruitziet
als een witte, brokkelige massa. Rond de schede kan roodheid en soms hevige jeuk
ontstaan. Bij mannen komt candidiasis veel minder vaak voor. De eikel van de
penis
kan er rood en schilferig uitzien en kan erg jeuken (balanitis).
Antimycotica
Behandeling is
alleen
nodig als er hinderlijke klachten zijn. In dat geval worden zogenoemde
antimycotica
gebruikt, middelen die uitsluitend werkzaam zijn tegen schimmelinfecties (zie
ook 'Huidinfecties' in de sectie 'Huid en Zintuigen'). Bij een eerste infectie bestaat de behandeling uit een
éénmalige
toediening van een vaginale capsule met 1200 mg miconazol (Gyno-Daktarin-1®) of
een
vaginale tablet/crème met 500 mg resp. 100 mg/g clotrimazol (Canesten
gyno 1®). De vaginale capsule,
tablet of crème kan
met een applicator door de vrouw zelf worden ingebracht. Bij uitwendige jeuk kan
tevens
een crème van een van beide middelen worden gebruikt. Een alternatief voor de
éénmalige
toediening is een driedaagse kuur met een vaginale capsule (ovule) of
tablet met 100 mg butoconazol (Gynomyk®), met 400 mg miconazol
(Gyno-Daktarin®) of met 200 mg clotrimazol (Canesten gyno 3®). Bij onvoldoende resultaat wordt
een zesdaagse kuur voorgeschreven, hetzij met vaginale capsules of tabletten,
hetzij
met een vaginale crème. Bij regelmatig terugkerende infecties met veel klachten
kan
de arts overwegen de behandeling met capsules die via de mond worden ingenomen,
voort te zetten. Daarvoor komen in aanmerking itraconazol (Trisporal®) gedurende
drie
dagen of fluconazol (Diflucan®) éénmalig. De kans op bijwerkingen is dan wel wat
groter: maag-darmstoornissen (misselijkheid, buikpijn, diarree, flatulentie),
hoofdpijn, smaakstoornissen.
Vaginose
In veel opzichten - met name het klachtenpatroon - lijkt bacteriële vaginose
sterk op vaginale candidiasis. De oorzaak is echter niet een infectie met
schimmels maar met bacteriën, waardoor de behandeling in principe anders is. Bij
bacteriële vaginose is de normale, uit onder andere lactobacillen
bestaande vaginale flora deels vervangen door Gardnerella vaginalis-bacteriën
en anaërobe bacteriën. Het is niet waarschijnlijk dat dit door seksuele
overdracht wordt veroorzaakt. De meest effectieve medicatie is de systemische
(orale) toediening van metronidazol (Flagyl®). Dit is het medicijn
dat ook bij vaginale trichomoniasis wordt geadviseerd. Vanwege
effectiviteit, gebruikersgemak en prijs gaat de voorkeur dan uit naar een
eenmalige, orale stootkuur. De partner hoeft niet te worden meebehandeld. Bij
onvoldoende resultaat of recidief wordt gedurende zeven dagen behandeld. Tijdens
de zwangerschap (eerste trimester) dient metronidazol lokaal te worden
toegediend. Afgezien van wat maag-darmstoornissen (misselijkheid), een
hinderlijke metaalsmaak of hoofdpijn, wordt dit middel meestal goed verdragen.
Tijdens de behandeling (tot twee dagen na de eenmalige inname) mag geen alcohol worden gebruikt,
omdat een zogenoemde alcoholintolerantie kan ontstaan (voor meer details
zie 'trichomoniasis' elders in dit onderdeel 'SOA').
Schaamluis en schurft
Deze beide aandoeningen worden veroorzaakt door minuscule, insectachtige
beestjes
die door intiem lichamelijk contact worden overgebracht (zie ook het onderdeel 'Ongedierte
en de Huid' in de sectie 'Huid en Zintuigen').
Schaamluis – ook wel
platjes
of pediculosis pubis genoemd – wordt veroorzaakt door luizen die zich prima
thuis voelen
tussen de schaamharen. De eerste klachten zijn jeuk in de schaamstreek en rode
of
bruine vlekjes in het ondergoed. Door de jeuk gaat men krabben en ontstaat er
irritatie
en roodheid van de huid. In het schaamhaar zijn roodbruine luizen zichtbaar ter
grootte
van ongeveer 1 mm. De patiënt kan schaamluis zelf behandelen met malathion
(Noury
Hoofdlotion®, Prioderm®) (als lotion of shampoo) of
permetrine (Loxazol®) (als lotion
of crème). Bij malathion moet de stof acht tot twaalf uur
in de schaamstreek inwerken. Eventueel moet de behandeling na een week worden
herhaald. Permetrine hoeft maar tien minuten in te werken.
Overigens wordt schaamluis nog maar heel weinig gezien in de medische praktijk.
Men vermoedt dat een en ander te maken heeft met de huidige gewoonte om het
schaamhaar te verwijderen.

Een schaamluis onder het vergrootglas.
Schurft (scabies) wordt veroorzaakt door de schurftmijt, die zich in de huid
ingraaft en
daar haar eitjes legt. Behalve door intiem (seksueel) contact kan iemand ook
worden
besmet via beddengoed en door slechte lichamelijke hygiëne. Enkele weken na de
besmetting ontstaat jeuk over het hele lichaam, vooral ’s nachts. Op sommige
plaatsen
ontstaan rode bultjes. Door veelvuldig krabben raakt de huid op meer plaatsen
beschadigd.
De behandeling bestaat uit het éénmalig insmeren van het hele lichaam tot
aan de kaakrand met permetrine (Loxazol®) als crème. Vooral de
lichaamsplooien moeten zorgvuldig worden ingesmeerd. De crème moet acht
tot twaalf uur inwerken. Soms wordt de behandeling na een week herhaald. Omdat
vaak meer gezinsleden besmet zijn, moet iedereen worden meebehandeld. Bij
zwangere vrouwen wordt het middel afgeraden. Dan kan
alleen benzylbenzoaat (Benzylbenzoaat Smeersel 25% FNA) veilig worden gebruikt.
Naast het smeren van de geneesmiddelen moet veel aandacht worden geschonken
aan hygiëne; vooral het regelmatig verschonen en goed wassen (kookwas!) van het
beddengoed en ondergoed is belangrijk.
Externe links:
http://nhg.artsennet.nl
(Nederlands Huisartsen Genootschap)
http://www.cbo.nl (Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO)
http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
http://www.fk.cvz.nl
(Farmacotherapeutisch Kompas)
http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)