SPIJSVERTERING & LEVER
Diarree
Men spreekt van diarree als de ontlasting dun, waterig en overvloedig is en te
vaak
plaatsvindt. Voor diarree zijn veel oorzaken bekend. Bij acute diarree gaat het
vaak om
een infectie met micro-organismen, waarbij zowel virussen en bacteriën als
parasieten
de boosdoeners kunnen zijn. Bij reizigersdiarree (zie ook de sectie 'Verre
Reizen en Gezondheid') spelen
meestal bacteriën een rol, afkomstig uit onhygiënisch voedsel of besmet water.
Men
spreekt dan ook wel van gastro-enteritis (zie hieronder); in ernstige gevallen
spreekt
men zelfs van voedselvergiftiging.
Er kunnen ook heel andere oorzaken voor diarree zijn, bijvoorbeeld examenvrees of te veel of te vet eten. Ook het gebruik van bepaalde geneesmiddelen kan diarree veroorzaken. Antibiotica kunnen behalve de schadelijke bacteriën die infecties in het lichaam veroorzaken, ook nuttige bacteriën in de darmen vernietigen (zie ook 'Ziekteverwekkers & Antibiotica' in de sectie 'Infectieziekten'), waardoor vaak diarree ontstaat. Het gebruik van laxeermiddelen veroorzaakt doorgaans geen normale ontlasting, maar een vorm van diarree.
Chronische diarree is een klacht die bij veel darmziekten zal voorkomen. Patiënten met bepaalde darmontstekingen, zoals colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn (zie het onderdeel 'Chronische darmontstekingen' in deze sectie 'Spijsvertering & Lever'), hebben vaak last van diarree. Door tekorten aan spijsverteringsenzymen in het pancreas of de darm kan ook diarree ontstaan, evenals door tumoren of kanker, maar gelukkig zijn dat weinig voorkomende oorzaken.
Dieet?
Vroeger was het advies om bij acute diarree te vasten, maar het werkelijke nut
van
diëten en vasten is nooit aangetoond. Tegenwoordig adviseert men dan ook normale
voeding te blijven gebruiken, maar wel verdeeld over diverse kleinere
maaltijden.
Prikkelende dranken zoals koffie, cola en alcohol moeten wel worden vermeden,
evenals
melk en pittig gekruide gerechten. Aan enkele voedingsmiddelen, zoals geraspte
appel, droge rijst en bosbessensap, wordt een stoppende werking toegeschreven.
Dat
is echter nooit in wetenschappelijk onderzoek bevestigd.
Het grootste gevaar bij aanhoudende acute diarree is dat men uitdroogt en belangrijke zouten, zoals natrium en kalium verliest. Vooral bij jonge kinderen en ouderen kan dat grote problemen veroorzaken. Bij hen is vocht- en zouttoevoer dan ook van levensbelang. Daarin kan worden voorzien met een zogenoemde orale rehydratievloeistof, ook wel ORS genoemd, hetgeen betekent vochttoevoer via de mond. Het is een oplossing van verschillende mineralen (natrium, kalium) en glucose (een bestanddeel van suiker) in water. ORS is verkrijgbaar als poeder (Care Plus ORS®, Dioralyte®, Dioralyte Rice®, Orisel®, Orisel Junior®, Orale Rehydratie zouten®) dat in een bepaalde hoeveelheid water moet worden opgelost. In noodgevallen kan men zo’n mengsel ook zélf samenstellen door vijf theelepels suiker en driekwart theelepel keukenzout op te lossen in één liter gekookt water.
Medicijnen
Bij de meeste vormen van diarree zijn geen medicijnen nodig. In de meeste
gevallen
is de diarree slechts van korte duur. Na twee of drie dagen is de darmfunctie
weer
hersteld, ook zonder medicijnen. Men gebruikt wel zogenoemde antidiarrhoica ter
verlichting van het ongemak, maar de meeste zijn niet effectief. Van
geactiveerde kool (Norit®) en tannalbumine (Entosorbine-N®) bijvoorbeeld is de gunstige werking
nooit
bewezen. De enige middelen die de toets der kritiek kunnen doorstaan, zijn loperamide
(Diacure®, Diarreeremmer®, Diarreeremmer Loperamide®, Imodium®)
en loperamide-oxide (Arestal®). Doordat
loperamide
en loperamide-oxide
inwerken
op de darmwand, verminderen de darmbewegingen, waardoor het vocht- en
zouttransport verbetert. Daardoor kan de diarree al binnen enkele uren afnemen.
De
behandeling begint met twee capsules of tabletten; voor kinderen (vanaf 8 jaar)
één
capsule of tablet. Zolang de diarree aanhoudt, mag elke twee uur één
capsule/tablet
worden ingenomen (ook door kinderen), met een maximum per dag van acht voor
volwassenen en vier voor kinderen. Bij jongere kinderen moet altijd eerst een
arts
worden geraadpleegd. Kinderen jonger dan 2 jaar mogen geen loperamide of
loperamide-oxide krijgen.
Bij hen moet het accent liggen op het herstel van de vocht- en mineralenbalans
met
behulp van ORS.
Externe links:
http://nhg.artsennet.nl
(Nederlands Huisartsen Genootschap)
http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
http://www.fk.cvz.nl
(Farmacotherapeutisch Kompas)
http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)

Stroomdiagram bij de behandeling van diarree en darminfecties.
Darminfecties
Doorgaans spreekt men van 'buikgriep' als men het over darminfecties
heeft. Voor alle duidelijkheid, buikgriep heeft niets met 'griep' (influenza)
te maken. Griep is namelijk een virale infectie van de luchtwegen (zie ook
griep in het onderdeel 'Luchtweginfecties'
in de sectie 'Luchtwegen en Ademhaling'). De jaarlijkse griepprik zal dan
ook beslist geen buikgriep kunnen voorkómen.
De medische term van darminfecties is gastro-enteritis, de algemene term voor darmaandoeningen die het directe
gevolg
zijn van een infectie met micro-organismen, afkomstig uit
onhygiënisch voedsel of besmet drinkwater. In ernstige gevallen spreekt
men zelfs van voedselvergiftiging.
De symptomen lopen nogal uiteen en variëren van enig verlies van eetlust met wat misselijkheid tot ernstige (bloederige) diarree, zeer pijnlijke buikkrampen en hevig braken. De ernst van de symptomen heeft niet alleen te maken met het type micro-organisme dat de infectie veroorzaakt, maar is beslist ook afhankelijk van de weerstand van de geïnfecteerde persoon tegen de ongewenste indringers. Behalve verschijnselen van het maag-darmkanaal kunnen ook algemene klachten ontstaan, zoals koorts, pijnlijke spieren, extreme vermoeidheid of gevoelens van lusteloosheid. Zowel virussen en bacteriën als parasieten kunnen gastro-enteritis veroorzaken. In veel gevallen gaat gastro-enteritis gepaard met diarree, misselijkheid (al of niet met braken) en buikpijn. Koorts is niet altijd aanwezig. Het belangrijkste gevaar is uitdroging (dehydratie) en het verlies van natrium en kalium, vooral bij jonge kinderen en ouderen. Bij de behandeling staat aanvulling van vochten mineralen doorgaans met orale rehydratievloeistof (ORS, Care Plus ORS®, Dioralyte®, Dioralyte Rice®, Orisel®, Orisel Junior®, Orale Rehydratie zouten®) dan ook op de voorgrond. Antibiotica worden alleen gebruikt bij infecties met gevaarlijke bacteriën.
Dysenterie
Bij zeer ernstige, acute diarree, die gepaard gaat met koorts en bloedbijmenging
in de
ontlasting, spreekt men van bacillaire dysenterie of shigellose (omdat de
bacterie Shigella de veroorzaker is). Meestal wordt deze heftig verlopende darminfectie verspreid
door
contact met ontlasting van geïnfecteerde personen. Men loopt de ziekte op via
besmet voedsel of water, maar men kan ook geïnfecteerd worden via besmette
gebruiksvoorwerpen, handdoeken of vliegen. In principe kan deze vorm van
dysenterie
in de hele wereld voorkomen, dus ook in Nederland. Toch worden in Nederland niet
veel gevallen meer gesignaleerd, naar schatting nog maar enkele honderden per
jaar.
De meeste daarvan zijn terug te voeren op een buitenlandse reis in een gebied
met
onvoldoende sanitaire voorzieningen. In dergelijke gebieden kunnen kleine
epidemieën
in vakantiekampen of inrichtingen ontstaan.
Na een incubatietijd van één tot zeven dagen wordt men plotseling (vooral jonge kinderen) ziek: koorts en koude rillingen, buikpijn, zeer frequente dunne ontlasting (soms wel twintig keer per dag) al dan niet gemengd met bloed en slijm, misselijkheid en braken, ernstige uitdroging. Na twee tot zeven dagen herstelt de patiënt meestal spontaan. Bij kinderen jonger dan 2 jaar en bij ouderen kan de ziekte door de extreme uitdroging dodelijk zijn. In ernstige gevallen worden antibiotica voorgeschreven. Een antibioticum van het type chinolonen zoals ciprofloxacine (Ciproxin®) is dan vaak het middel van eerste keuze (zie ook chinolonen in het onderdeel 'Ziekteverwekkers & Antibiotica' in de sectie 'Infectieziekten'). De bijwerkingen zijn doorgaans mild, meestal gaat het dan om maag-darmstoornissen als misselijkheid, buikpijn en diarree(!), de kans op neurologische bijwerkingen (duizeligheid, hoofdpijn, slaapstoornissen) en huidreacties is een stuk kleiner. Het gebruik bij zwangere vrouwen en kinderen in de groeifase wordt ontraden wegens een mogelijk remmend effect op de vorming van kraakbeen.
Een aanzienlijk mildere vorm van dysenterie is amoebendysenterie (amoebiasis), een darminfectie die wordt veroorzaakt door ééncellige (tropische) parasieten (Entamoeba histolytica). In Nederland is amoebendysenterie altijd een importziekte (zie ook 'Verre reizen en Gezondheid'). De besmetting ontstaat meestal door contact met geïnfecteerde ontlasting. Voedsel (groente en fruit) kan besmet zijn wanneer het geteeld is op grond die bemest is met menselijke ontlasting of wanneer het gewassen is in vervuild water. De in aanvallen optredende klachten zijn diarree (al dan niet bloederig), winderigheid en buikkrampen. De algemene toestand is meestal veel minder slecht dan bij bacillaire dysenterie. De ziekte duurt echter veel langer, waardoor vermagering en bloedarmoede kunnen ontstaan. Een gevreesde complicatie is infectie van de lever (leverabces).
Metronidazol (Flagyl®) wordt pas voorgeschreven als na laboratoriumonderzoek is gebleken dat in verse ontlasting Entamoeba histolytica aanwezig is. Afgezien van wat maag-darmstoornissen (misselijkheid), een (hinderlijke) metaalsmaak of hoofdpijn, wordt dit middel meestal goed verdragen (zie ook metronidazol in het onderdeel 'Ziekteverwekkers & Antibiotica' in de sectie 'Infectieziekten'). Tijdens de behandeling (tot twee dagen na de laatste inname) mag geen alcohol worden gebruikt, omdat een zogenoemde alcoholintolerantie kan ontstaan. Dat is het gevolg van het effect van deze medicijnen op de omzetting van alcohol in de lever. Bij de afbraak van alcohol wordt een giftig ‘tussenproduct’ gevormd, dat onder invloed van een van deze middelen niet verder wordt afgebroken. Ophoping van deze stof in het lichaam kan zeer onaangename gevolgen hebben, zoals duizeligheid, kloppende hoofdpijn, misselijkheid en zelfs braken, buikkrampen en sterk transpireren. Men kan er behoorlijk ziek van worden, ook al is het maar zeer tijdelijk.
Campylobacterinfecties
In Nederland zijn campylobacterinfecties waarschijnlijk de meest voorkomende
oorzaak
van buikgriep (gastro-enteritis). Met de bacterie Campylobacter jejuni besmet vlees (vooral
kip en
ander gevogelte) of rauwe melk veroorzaakt naar schatting vele tienduizenden
ziektegevallen
per jaar. De klachten zijn hevige diarree (soms met bloedbijmenging) en
buikkrampen,
soms gepaard gaand met koorts en braken. Meestal verdwijnen de klachten
na enkele dagen. Bij patiënten met een verminderde weerstand kunnen ernstige
complicaties ontstaan, zoals bloedvergiftiging (sepsis). Dan is behandeling met
antibiotica noodzakelijk, bijvoorbeeld een macrolide
als erytromycine (Erythrocine®,
Erythrocine-ES®) of azitromycine (Zithromax®) of een chinolon
als ciprofloxacine (Ciproxin®); voor meer details zie ook
macroliden en
chinolonen in
het onderdeel 'Ziekteverwekkers
& Antibiotica' in de sectie 'Infectieziekten'. Beide typen
antibiotica kunnen als bijwerking maag-darmstoornissen (misselijkheid,
buikpijn, diarree) veroorzaken.
Salmonella-infecties
Er zijn vele honderden (mogelijk zelfs duizenden) soorten
salmonellabacteriën
die
infecties bij de mens kunnen veroorzaken. Enerzijds kunnen ze verantwoordelijk
zijn voor tyfus-achtige ziektebeelden, waaronder
buiktyfus (die vooral in de
tropen
voorkomt; zie ook het onderdeel 'Tropische
infectieziekten' in de sectie 'Verre Reizen en Gezondheid'). Buiktyfus is een inheemse infectieziekte die
door
verontreinigd (oppervlakte)water overdraagbaar is.
Anderzijds verwekken salmonellabacteriën paratyfus en andere vormen van ernstige
gastro-enteritis. Geïnfecteerd vlees, pluimvee, rauwe melk, eieren en
eierproducten zijn
veelvoorkomende bronnen van salmonellabacteriën. Per jaar krijgen naar schatting
tienduizenden Nederlanders een gastro-enteritis veroorzaakt door
salmonellabacteriën.
Na een korte incubatietijd (doorgaans 8 tot 48 uur) wordt men acuut misselijk
met
braken en krijgt men hevige buikkrampen, snel gevolgd door diarree (soms met
bloed
en slijm) en koorts. Meestal herstelt men na twee tot vijf dagen spontaan.
Zoals bij alle andere vormen van gastro-enteritis is het ook nu van belang het vocht- en mineralenverlies te beperken door aanvulling met orale rehydratievloeistof (ORS, Care Plus ORS®, Dioralyte®, Dioralyte Rice®, Orisel®, Orisel Junior®, Orale Rehydratie zouten®). Antibiotica komen alleen in aanmerking bij ernstig zieke jonge kinderen, bij patiënten met een verminderde afweer en bij oudere patiënten. Vaak worden dan chinolonen (bijvoorbeeld ciprofloxacine [Ciproxin®]) gebruikt, zie ook chinolonen in het onderdeel 'Ziekteverwekkers & Antibiotica' in de sectie 'Infectieziekten'. De bijwerkingen zijn doorgaans mild, meestal gaat het dan om maag-darmstoornissen als misselijkheid en diarree(!).
Reizigers die naar de tropen afreizen kunnen zich tegen buiktyfus beschermen (per injectie of via de mond) met het tyfusvaccin (Typherix®, Typhim Vi®, Vivotif®); gedurende drie jaar kan hierdoor een bescherming van ongeveer 50 tot 70 procent worden verkregen.
Cholera
Hoewel cholera (vroeger ook wel braakloop genoemd) tegenwoordig als een
tropische
infectieziekte wordt beschouwd (zie ook 'Tropische
infectieziekten' in de sectie 'Verre Reizen en Gezondheid'), zijn er tot in de twintigste eeuw ook in
gematigde
streken uitbraken geweest van deze afschuwelijke ziekte, die in korte tijd veel
slachtoffers
kan maken. De ziekte begint meestal zeer plotseling met hevige en frequente
diarree (spuitdiarree) zonder pijn of krampen, gevolgd door braken. Per etmaal
kunnen
op die manier maar liefst 15 liter water en 30 gram zout worden uitgescheiden.
In
korte tijd kan ernstige uitdroging ontstaan die leidt tot nierfalen, shock en
coma. In
extreme gevallen kan de dood al na enkele uren intreden. De verwekker is de
cholerabacterie
(Vibrio cholerae) die een gifstof (toxine) produceert die de dunne darm aanzet
tot uitscheiding van grote hoeveelheden vocht dat rijk is aan zouten en
mineralen.
Men krijgt de ziekte door consumptie van drinkwater, zeevis en schaaldieren of
ander
voedsel dat besmet is met de ontlasting van geïnfecteerde mensen.
Bij de behandeling van cholera staat snelle aanvulling van vocht en mineralen centraal. Bij zeer ernstige uitdroging moet het vocht via een ader (intraveneus) worden toegediend; bij minder ernstige gevallen kan met toediening van orale rehydratievloeistof (ORS, Care Plus ORS®, Dioralyte®, Dioralyte Rice®, Orisel®, Orisel Junior®, Orale Rehydratie zouten®) via de mond worden volstaan. Als bij patiënten met ernstige cholera geen vocht wordt aangevuld, overlijdt meer dan de helft. Wordt wel tijdig vocht en mineralen toegediend, dan overlijdt minder dan 1 procent. Antibiotica van het type tetracyclinen zoals doxycycline (Doxy Disp®, Efracea®, Vibramycin®) zijn middelen van eerste keuze; ze verkorten de duur van de diarree en verminderen het volume ervan. Tetracyclinen hebben nogal wat bijwerkingen (zie ook tetracyclinen in het onderdeel 'Ziekteverwekkers & Antibiotica' in de sectie 'Infectieziekten').
Choleravaccinatie wordt niet meer aanbevolen; indien toch gewenst, kan gebruik worden gemaakt van het oraal werkzame choleravaccin (Dukoral®).
|
Cholera in de negentiende eeuw |
| Eeuwenlang heeft cholera alleen huisgehouden in Azië; de Gangesdelta in het
huidige
Bangladesh wordt als de bakermat beschouwd. Pas in het begin van de negentiende
eeuw verspreidde cholera zich ook over Europa. In 1832 stak de ziekte voor het
eerst de
kop op in ons land. De epidemieën zouden zich gedurende de gehele negentiende
eeuw
herhalen. Tijdens de Londense epidemie van 1853-1854 ontdekte de arts John Snow
dat de
uitbraak van cholera samenhing met de drinkwatervoorziening. In sommige
stadsdelen kwam cholera nauwelijks voor, terwijl in andere delen, waar men voor drinkwater
afhankelijk was
van water uit de Thames, de besmetting compleet was. In Nederland bleven
Amsterdam
en Haarlem bij de cholera-epidemie van 1866 min of meer buiten schot. In deze
steden
was inmiddels waterleiding aangelegd, met water afkomstig uit de duinen. Op
grond van
dit gegeven werden in snel tempo ook elders in het land waterleidingen
aangelegd, terwijl
in de steden ook riolering kwam. De laatste grote epidemie in West-Europa
dateert uit
1892; deze uitbraak eiste veel dodelijke slachtoffers in Hamburg, Antwerpen en
Parijs.
De epidemie ging aan ons land voorbij, hoogstwaarschijnlijk dankzij de
voortvarendheid
waarmee de overheid maatregelen had getroffen met betrekking tot de
watervoorziening
en de riolering.
Een tekening van Honoré Daumier over de
cholera-epidemie van 1832 in Parijs. |
Giardiasis
Deze infectie van de dunne darm wordt veroorzaakt door de ééncellige parasiet Giardia
lamblia. Van oorsprong komt deze ziekte vooral in de tropen voor, maar de
laatste tijd ziet men deze ziekte in toenemende mate in westerse landen. De
belangrijkste
klachten zijn misselijkheid en/of een drukkend gevoel in de maagstreek
(dyspepsie),
winderigheid en explosieve en stinkende diarree. De ziekte kan vrij mild en
chronisch verlopen, en komt vaker bij kinderen dan bij volwassenen voor. De
parasiet
wordt overgebracht via de ingekapselde vorm (cysten) in ontlasting en besmet
voedsel; bij
kinderen vaak via vuile nagels. Besmetting is ook mogelijk door seksueel (anaal)
contact.
Bij de chronische vorm kunnen belangrijke
voedingsstoffen niet meer goed worden
opgenomen, waardoor gewichtsverlies ontstaat.
Het geneesmiddel metronidazol (Flagyl®) is erg effectief tegen deze vorm van gastro-enteritis (zie ook overige middelen in het onderdeel 'Ziekteverwekkers & Antibiotica' in de sectie 'Infectieziekten'). Afgezien van wat maag-darmstoornissen (misselijkheid), een (hinderlijke) metaalsmaak of hoofdpijn, wordt dit middel meestal goed verdragen. Tijdens de behandeling (tot twee dagen na de laatste inname) mag geen alcohol worden gebruikt, omdat een zogenoemde alcoholintolerantie kan ontstaan. Dat is het gevolg van het effect van deze medicijnen op de omzetting van alcohol in de lever. Bij de afbraak van alcohol wordt een giftig ‘tussenproduct’ gevormd, dat onder invloed van een van deze middelen niet verder wordt afgebroken. Ophoping van deze stof in het lichaam kan zeer onaangename gevolgen hebben, zoals duizeligheid, kloppende hoofdpijn, misselijkheid en zelfs braken, buikkrampen en sterk transpireren. Men kan er behoorlijk ziek van worden, ook al is het maar zeer tijdelijk.
Norovirusinfecties
Per jaar krijgen ongeveer 4,5 miljoen Nederlanders
buikgriep;
ongeveer een half miljoen van de gevallen wordt veroorzaakt door het
norovirus. Dit virus wordt ook weleens het 'norwalkvirus' genoemd; de
naam verwijst naar de plaats Norwalk in Ohio, waar het norovirus voor het eerst
werd geïdentificeerd in 1972. Braken en diarree zijn de meest opvallende
symptomen van de besmetting. Meestal beginnen deze klachten tussen de één en
drie dagen nadat iemand het virus binnen krijgt. Het braken is vaak heftig en
kan heel plotseling optreden. Deze vorm van braken wordt ook wel
'projectielbraken' genoemd. Ook lichte koorts, maagkrampen, hoofdpijn,
spierpijn, buikpijn, en buikkramp komen voor. Er is geen bloed of
slijmbijmenging in de ontlasting (feces). Er zijn ook mensen die geen klachten
krijgen maar wel het virus uitscheiden en kunnen overdragen.
Het norovirus is erg besmettelijk, het wordt overgedragen via de zogenaamde 'fecaal-orale' route (letterlijk: van de kont naar de mond). Dat wil zeggen dat ontlasting en braaksel de besmettelijke virusdeeltjes bevatten en deze op de een of andere manier (meestal via de handen) in de mond terecht komen. Ook besmetting via de lucht als gevolg van braken is mogelijk. Al enkele dagen voor het ziek worden tot dagen er na kan het virus in de ontlasting zitten. Het norovirus wordt onder meer overgebracht via handen die na toiletbezoek niet of niet goed zijn gewassen. Als een besmette persoon voedsel klaarmaakt kan het virus ook in het eten terecht komen en zo weer nieuwe mensen besmetten. In situaties waar mensen dicht op elkaar leven, leiden besmettingen tot zeer vervelende epidemieën (explosies) van buikgriep. Vooral in verzorgingshuizen, verpleeghuizen en kinderdagverblijven komen dit soort explosies regelmatig voor. Daarbij is het geen uitzondering dat zowel de helft van de bewoners, als de helft van het verplegend personeel ziek op bed ligt. In Nederland is het voedsel zelf zelden een bron van het virus. In het buitenland komt dit vaker voor. Voorbeelden daarvan zijn besmette oesters of mosselen. Voor zover bekend komt het norovirus alleen bij de mens voor. Bij jonge kinderen, ouderen en mensen met een verzwakte afweer kunnen de klachten ernstiger zijn en aanzienlijk langer duren.
Er is geen geneesmiddel tegen deze vorm van buikgriep. De symptomen gaan in de meeste gevallen vanzelf over na één tot vier dagen. Het belangrijkste is dat de zieke voldoende vocht, suikers en zouten binnen krijgt om uitdroging te voorkomen. Dat gebeurt het beste met een orale rehydratievloeistof (ORS, Care Plus ORS®, Dioralyte®, Dioralyte Rice®, Orisel®, Orisel Junior®, Orale Rehydratie zouten®). Als de zieke het kan verdragen kunnen kleine hoeveelheden licht voedsel worden gegeten. Het is beter om alcohol en koolzuurhoudende dranken te vermijden.
Handen wassen na toiletbezoek of na contact met een patiënt met diarree of met braaksel zijn van essentieel belang om verspreiding te voorkomen. Denk eraan dat ook de deur- en de doortrekknop besmet kunnen zijn als iemand diarree heeft. Daarnaast is het verstandig om geen rauwe schelpdieren te eten. Eigenlijk gelden dezelfde regels als voor het voorkomen van infecties door bacteriën, alleen kunnen norovirussen wat beter tegen hitte en tegen de meeste schoonmaakmiddelen. Men moet voedsel dus altijd goed verwarmen en met schoonmaken van toilet en keuken nog beter zijn best doen. Zeker mensen die voedsel bereiden, zoals het smeren van een boterham voor anderen, kunnen heel gemakkelijk het norovirus doorgeven aan een ander.
Externe links:
http://nhg.artsennet.nl
(Nederlands Huisartsen Genootschap)
http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
http://www.rivm.nl (Centrum Infectiebestrijding van het RIVM)
http://www.fk.cvz.nl
(Farmacotherapeutisch Kompas)
http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)
PrikkelbaAr-darmsyndroom
Van alle maag-darmaandoeningen komt het prikkelbaar-darmsyndroom
(PDS) het meest voor: bij 15-20% van de vrouwen en 5-20% van de mannen van 15
tot 65 jaar. Het wordt ook wel spastisch colon of spastische darm genoemd. De Engelse term is
irritable bowel syndrome (IBS). Bij vrouwen komt het syndroom twee- tot driemaal
zo
vaak voor als bij mannen. Meestal heeft men buikpijn of een opgezette buik,
hetgeen
vaak gepaard gaat met gerommel in de buik en winderigheid. De ontlasting is
onregelmatig:
soms is er diarree, maar er kan juist ook sprake zijn van harde ontlasting en
verstopping. De opgezette buik wordt mogelijk veroorzaakt doordat darmgassen
worden vastgehouden in verkrampte darmsegmenten. Als de druk in zo’n segment
hoog oploopt, kan daardoor pijn ontstaan. Bijna de helft van de mensen met het
prikkelbaredarmsyndroom heeft regelmatig last van een vol gevoel in de
bovenbuik,
opboeren en misselijkheid, vooral vlak na een maaltijd.
De oorzaak van het prikkelbaar-darmsyndroom is onduidelijk. Men vermoedt dat de bewegingsactiviteit van het darmkanaal onvoldoende is en dat er een verhoogde darmgevoeligheid bestaat. Er is geen sprake van aantoonbare lichamelijke afwijkingen; men spreekt dan ook wel van ‘functionele’ of ‘onverklaarde’ buikklachten. Volgens sommigen zijn ook psychologische factoren van belang bij het ontstaan van deze hinderlijke aandoening.
Behandeling
Als er voldoende zekerheid is over de diagnose – dat wil meestal zeggen dat
andere
(ernstiger) aandoeningen worden uitgesloten – bestaat de behandeling uit
leefregels
en dieetmaatregelen. Voldoende ontspanning (vermijden van ‘stressvolle’
situaties of
hiermee beter leren omgaan) en lichaamsbeweging kunnen positief werken.
Bepaalde voedings- en genotmiddelen (koffie, alcohol, tabak, scherpe spijzen)
kunnen
de darm irriteren en kunnen dus beter worden vermeden. Dat geldt uiteraard ook
voor roken! Vezelrijke voeding
(groenten,
rauwkost, bruin- en roggebrood, muesli, zemelen) met voldoende vocht is
waarschijnlijk
het meest aangewezen. Eventueel kunnen extra vezelpreparaten aan de voeding
worden
toegevoegd; daarvoor kan men psylliumzaad (Metamucil®,
Psylliumvezels, Volcolon®) of sterculiagom
(Normacol®) gebruiken.
Van een behandeling met medicijnen moet men niet al te veel verwachten. Als de voedingsmaatregelen niet echt helpen, kunnen zogenoemde darmspasmolytica worden voorgeschreven. Dat zijn middelen die op het spierweefsel van de darmen werken, waardoor minder darmkrampen (spasmen) optreden. Mebeverine (Duspatal®) is dan een geschikt middel, dat weinig of geen bijwerkingen veroorzaakt. Men moet er echter zeker geen wonderen van verwachten. Om verstopping te voorkomen moet het altijd samen met een van de genoemde vezelpreparaten worden gebruikt. Als perioden met diarree optreden, kan overwogen worden tijdelijk (enkele dagen) de antidiarrhoica loperamide (Diacure®, Diarreeremmer®, Diarreeremmer Loperamide®, Imodium®) of loperamide-oxide (Arestal®) te gebruiken (zie ook diarree in dit onderdeel 'Darmaandoeningen'). Het gebruik van pijnstillers als paracetamol of acetylsalicylzuur (onder andere Aspirine®) heeft beslist geen zin bij buikpijn als gevolg van het prikkelbaar-darmsyndroom.
Externe links:
http://nhg.artsennet.nl
(Nederlands Huisartsen Genootschap)
http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
http://www.fk.cvz.nl
(Farmacotherapeutisch Kompas)
http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)
Obstipatie
Obstipatie (verstopping, hardlijvigheid) is een klacht en geen ziekte. Het kan
gaan om
ontlasting van een te klein volume of om een te weinig frequente stoelgang. Een
te
harde ontlasting is ook mogelijk; daardoor wordt de uitdrijving bemoeilijkt.
Verder
kan men het gevoel van een onvolledige ontlasting hebben. Er zijn grote
verschillen
in het ontlastingspatroon. De een heeft twee- tot driemaal per dag ontlasting,
bij de
ander is driemaal per week normaal. Het wordt pas een probleem als de stoelgang
duidelijk afwijkt van wat men gewend is.
Hoewel obstipatie veel oorzaken kan hebben (onder andere bedlegerigheid, zwangerschap, geneesmiddelengebruik), is de aanleiding in veel gevallen te vinden in verkeerde of veranderde voedings- en leefgewoonten. Onvoldoende vezelrijke voeding en te weinig vochtinname, onvoldoende lichaamsbeweging en te weinig aandacht voor de ontlastingsdrang (door gejaagdheid, haast, onrust) zijn daarbij van belang.
Behandeling
De behandeling bestaat in eerste instantie altijd uit niet-medicamenteuze
maatregelen.
Het gebruik van vezelrijke voeding (groenten, rauwkost, noten, volkorenbrood,
muesli,
zilvervliesrijst) en voldoende vocht (minstens 1,5 tot 2 liter per dag) kan een
zeer positief
effect hebben. Er bestaan grofweg twee soorten vezels: deels verteerbare vezels
die in
groente en fruit voorkomen, en de minder verteerbare vezels uit graanproducten
en
peulvruchten. Het is verstandig beide vezelsoorten te gebruiken. Samen met ruim
voldoende vocht vormen de vezels een zachte en volumineuze massa die de
beweeglijkheid
van de darmen sterk bevordert. Daardoor zullen de ontlastingsdrang en
ontlastingsfrequentie
toenemen en zal de stoelgang worden vergemakkelijkt.
Zemelen vormen een goede toevoeging aan een vezelrijk dieet. Ze zijn echter niet erg populair door de slechte smaak, de hoge calorische waarde en het optreden van winderigheid en een opgezet gevoel, vooral wanneer men ze nog maar kort gebruikt. Ze moeten altijd met veel vocht worden ingenomen. Men kan ook voedingsmiddelen gebruiken die van nature al een laxerende werking hebben, zoals karnemelk, yoghurt, vruchtensap, ontbijtkoek, geweekte pruimen en stroop. Regelmatige lichamelijke inspanning verhoogt de darmactiviteit. Dagelijks wandelen, fietsen of sporten is het devies. Volgens sommigen is inactiviteit een van de belangrijkste oorzaken van obstipatie. Verder moet men direct naar de wc gaan als men ontlastingsdrang heeft. Ophouden of negeren van de aandrang is een slechte zaak. Soms is het nuttig op een vast tijdstip naar de wc te gaan.
Medicijnen
Medicijnen komen pas in aanmerking als de bovengenoemde maatregelen niet helpen.
Middelen die dan gebruikt worden, noemt men laxeermiddelen of
laxantia. Er zijn
verschillende typen beschikbaar:
zwelmiddelen;
osmotisch werkende middelen;
darmprikkelende middelen;
glijmiddelen.
Zwelmiddelen
Deze medicijnen maken evenals vezelrijke voeding en zemelen het volume van de
darminhoud
groter (‘sponswerking’). Daardoor wordt de darm aangezet tot frequentere en
makkelijker ontlasting. Het gaat om dezelfde vezelpreparaten die bij het
prikkelbaar-darmsyndroom
(zie elders in deze sectie) worden gebruikt. Psylliumzaad (Metamucil®,
Psylliumvezels, Volcolon®) of
sterculiagom (Normacol®) moeten met een flinke hoeveelheid water worden ingenomen. Drinkt
men te weinig water, dan is de kans groot dat de obstipatie juist verergert. De
middelen
zorgen na één tot drie dagen voor een zachte ontlasting. De enige bijwerking is
soms een onaangenaam gevoel in de bovenbuik.
Tot de zwelmiddelen wordt ook macrogol met of zonder elektrolyten (Colofort®, Endofalk®,
Forlax®, Forlax Junior®, Klean-Prep®, Laxtra®,
Molaxole®, Movicolon®, Movicolon Junior®, Moviprep®,
Transipeg®) gerekend.
Afhankelijk van de hoogte van de dosering is de werking al na één tot twee uur
(hoge dosis) of na één tot twee dagen (lage dosis) te verwachten.
Osmotisch werkende middelen
Tot deze stoffen behoren bepaalde suikers en zouten die niet
door
de darmwand kunnen worden opgenomen. Ze houden daardoor vocht vast in het
darmstelsel, waardoor de ontlasting meer volume krijgt en zachter wordt. Naast
deze
‘osmotische’ werking hebben de suikers ook een prikkelende werking. Dit effect
komt tot
stand door hun afbraakproducten melkzuur en azijnzuur, waardoor de
darmbewegingen
nog eens extra worden gestimuleerd. Lactulose (Duphalac Stroop®, Laxeerdrank®, Laxeersiroop®, Legendal®) en
lactitol
(Importal®) zijn veelgebruikte laxeermiddelen, die ook tijdens de zwangerschap
mogen worden gebruikt. De werking treedt na één tot twee dagen in. Eventuele
bijwerkingen
blijven beperkt tot een opgeblazen gevoel in de buik en winderigheid.
De osmotisch werkende zouten magnesiumsulfaat (Bitterzout, Engels zout), magnesiumoxide, natriumfosfaat (Phosphoral®) en natriumsulfaat (Glauberzout, Natriumsulfaatpoeder voor Drank FNA) werken in hoge doseringen veel drastischer dan de suikers en worden meestal gebruikt om de darmen snel schoon te spoelen. Dat gebeurt alleen in het ziekenhuis bij de voorbereiding op diagnostisch onderzoek van de darmen of bij acute vergiftigingen. Ze werken veel sneller (binnen enkele uren) dan de genoemde suikers. Men spreekt dan van colonlavage. De kans op darmkrampen en waterige diarree is vrij groot. Omdat ze ernstige verstoringen van de zouthuishouding in het lichaam kunnen veroorzaken, mogen ze slechts één keer worden gebruikt, dus alleen als het echt nodig is. In veel lagere doseringen worden magnesiumsulfaat en magnesiumoxide ook nogal eens gebruikt bij chronische obstipatie. Het effect is dan veel milder; de laxerende werking treedt na zes tot tien uur in.
Darmprikkelende middelen
Deze medicijnen bevorderen de darmbewegingen door chemische
prikkeling
van de darmwand. Ook verhogen ze het watergehalte van de ontlasting doordat ze
de
opname van water en zouten verminderen en de uitscheiding ervan bevorderen. Ze
worden ook wel contactlaxantia genoemd. Het bekendste middel is bisacodyl
(Dulcolax®, Laxeertablet Bisacodyl®, Nourilax®). Als bisacodyl
als tablet wordt ingenomen, volgt de ontlasting na
vijf tot
tien uur. Meestal wordt dan ook geadviseerd de tablet ’s avonds voor het naar
bed
gaan in te nemen, zodat de ontlasting ’s morgens kan plaatsvinden. Bisacodyl
wordt
echter ook rectaal (dus via de anus) als zetpil toegediend. Het werkt dan veel
sneller:
binnen 15 tot 60 minuten is de ontlasting te verwachten. Een ander, nieuwer
contactlaxans is natriumpicosulfaat (Dulcodruppels®,
Dulcopearls®), dat qua werking en chemische structuur nauw verwant is aan
bisacodyl.
Er zijn ontzettend veel andere darmprikkelende middelen op de markt. Het gaat vaak om plantaardige stoffen of mengsels daarvan: rhamnus frangula/purshiana-extracten/sennablad/rheumextract (Herbesan®), senna (Fuca Excellent®, Sennocol®), sennosidenpreparaten (X-Praep®, Prunacolon®, Prunasine®) en nog vele andere stoffen. Ze zijn vrij verkrijgbaar (dus zonder recept) bij drogist of apotheek. Wanneer dergelijke middelen regelmatig worden gebruikt, bestaat het gevaar dat er een zogenoemde luie darm ontstaat; dat risico bestaat overigens ook bij langdurig gebruik van bisacodyl of natriumpicosulfaat. Door de voortdurende chemische prikkeling zullen de darmen uit zichzelf weinig activiteit meer ontplooien. Er zijn steeds hogere doseringen van het laxeermiddel nodig om nog een laxerend effect te verkrijgen. Dat kan uiteindelijk leiden tot langdurig ‘misbruik’; men spreekt dan van laxantiaverslaving. Door beschadigingen van het darmweefsel kan dan een ernstig ziektebeeld ontstaan, dat gepaard gaat met buikpijn, waterige diarree, vermagering, spierzwakte en zelfs totale uitputting.
Glijmiddelen
Deze stoffen hebben een
oppervlaktespanningverlagende
(detergerende) werking. Dat wil zeggen dat de opname van vocht in de
ontlasting wordt bevorderd, waardoor verweking en vervolgens laxatie optreedt.
Behalve paraffine (Paraffine Emulsie) worden glijmiddelen
voornamelijk rectaal (dus via de anus) toegediend in de vorm van een
klysma.
Dat
is een zachte plastic flacon met een waterige vloeistof waarin de werkzame stof
is
opgelost. De vloeistof wordt via de anus toegediend door de tuit van de flacon
zo
diep mogelijk in de aarsopening te plaatsen en de flacon leeg te knijpen.
Vergeet vervolgens niet de flacon in dichtgeknepen toestand uit de anus
terug te trekken om te voorkomen dat de vloeistof terugloopt in de flacon. Als de laxeermiddelen op deze manier worden toegediend, is de werking na 5 tot 20
minuten
merkbaar. Natriumdocusaat (Docusaat Klysma FNA, Norgalax®, Klyx®),
natriumfosfaat
(Colex Klysma®) of het combinatiepreparaat Microlax®
wordt
incidenteel gebruikt om de dikke darm te ledigen in verband met een diagnostisch
onderzoek of om extreem ingedikte ontlasting die de dikke darm volledig afsluit,
te
verwijderen.
Externe links:
http://www.cbo.nl (Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO)
http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
http://www.fk.cvz.nl
(Farmacotherapeutisch Kompas)
http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)
Blindedarmontsteking
Om maar meteen een misverstand uit de weg te ruimen: bij een
blindedarmontsteking
gaat het niet om een ontsteking van de blindedarm maar om een ontsteking van het
wormvormig aanhangsel (appendix), het ongeveer acht centimeter lange
‘doodlopende’
verlengstuk van de blindedarm. De medische term hiervoor is dan ook appendicitis. Wat de
functie van dit aanhangsel is, is nog niet geheel duidelijk. In de blindedarm
worden
veel cellen aangemaakt die de toegang tot de dikke darm bewaken. Dat is ook in
de
appendix het geval, maar onduidelijk is of verwijdering ervan veel effect heeft
op de
functie van poortwachter van de dikke darm. Het lijkt erop dat men een grotere
kans heeft de ziekte van Crohn (zie hieronder 'Chronische
darmontstekingen') te krijgen als de appendix is
verwijderd,
terwijl de kans op colitis ulcerosa (zie hieronder 'Chronische
darmontstekingen') is afgenomen.
In Nederland is blindedarmontsteking een van de meest voorkomende oorzaken
van plotselinge hevige buikpijn. Niet minder dan 7 procent van de inwoners van
westerse landen krijgt hier ooit mee te maken; de kans is het grootst tussen het
tiende
en dertigste levensjaar. Meestal gaat het om acuut optredende, hevige pijn rond
de
navel of iets daarboven, die gepaard gaat met misselijkheid en braken en matige
koorts (niet hoger dan 38 °C). Na enkele uren verdwijnt de misselijkheid en
verschuift
de pijn naar de rechter onderbuik. Er is zowel sprake van ‘drukpijn’ (dat wil
zeggen dat
de pijn toeneemt als er op het pijnlijke lichaamsdeel gedrukt wordt) als van
‘loslaatpijn’
(dat wil zeggen dat de pijn sterk toeneemt als de druk wordt opgeheven).
Hoe de appendix zo plotseling ontstoken kan raken, is niet geheel duidelijk.
Soms is
de ingang verstopt geraakt, bijvoorbeeld met een pit, maar meestal is er wat
anders
aan de hand. De belangrijkste complicatie is het weglekken van de rottende
inhoud
naar de buikholte, waardoor het buikvlies ontstoken raakt. Dat noemt men een
buikvliesontsteking
(peritonitis), een levensbedreigende aandoening. Deze complicatie kan
al binnen 24 uur na het ontstaan van de eerste symptomen optreden.
De enige behandelingsoptie bij een acute blindedarmontsteking is een buikoperatie waarbij de ontstoken appendix wordt verwijderd. Met behulp van echoscopie kan tegenwoordig worden vastgesteld of een operatie echt nodig is. In Nederland worden jaarlijks ruim vijftienduizend operaties uitgevoerd waarbij een ontstoken appendix wordt verwijderd. Tegenwoordig bestaat deze ingreep meestal uit een kijkoperatie, waardoor de patiënt al na enkele dagen naar huis kan. Als de blindedarm geperforeerd is, is het vooruitzicht minder gunstig. Door toediening van antibiotica kan dan weliswaar het dreigende levensgevaar worden afgewend, maar soms zijn dan verscheidene operaties nodig en bovendien duurt de herstelperiode veel langer.
Externe links:
http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
Chronische darmontstekingen
Er zijn twee soorten chronische darmontstekingen, namelijk colitis ulcerosa en
de ziekte van Crohn. Bij beide ziektebeelden komen telkens terugkerende
ontstekingen
in een bepaald deel van de darmen voor. Bij colitis ulcerosa in de dikke darm
(colon
en endeldarm) en bij de ziekte van Crohn vooral in de dunne darm, maar in
sommige
gevallen ook in de mond, de slokdarm of de maag. Voor alle duidelijkheid: het
zijn
geen ontstekingen die het gevolg zijn van infecties door micro-organismen.
Antibiotica kunnen deze ziekten dus niet genezen. De eigenlijke oorzaak van de
ontstekingen is onbekend, maar erfelijkheid, het afweersysteem van de darm en
omgevingsfactoren spelen wel een rol. In de Scandinavische landen komen
chronische
darmontstekingen het meest voor, gevolgd door de Verenigde Staten en
West-Europa.
In ontwikkelingslanden zijn chronische darmontstekingen relatief zeldzaam. In de
meeste gevallen ontstaan chronische darmontstekingen tussen het vijftiende en
vijfendertigste levensjaar.
Bij de ziekte van Crohn bestaan de klachten uit zeurende of krampachtige buikpijn en diarree. Het beloop is zeer wisselend: er zijn perioden met opvlammingen en dus veel klachten, en perioden waarin de patiënt nauwelijks klachten heeft. Op den duur ontstaan bijkomende verschijnselen als gebrek aan eetlust, winderigheid, gevoel van lusteloosheid, gewichtsverlies en bloedarmoede. Bij colitis ulcerosa ligt de nadruk op diarree, die zeer frequent (tientallen keren per dag) optreedt en gepaard gaat met hevige krampen in de onderbuik. De ontlasting is vermengd met slijm en bloed. Op den duur gaan de buikklachten samen met moeheid, gewichtsverlies en bloedarmoede.
In zeer ernstige gevallen kan een operatie noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld als er vernauwingen in de darmen zijn ontstaan, waardoor de doorgang voor de ontlasting wordt bemoeilijkt. Soms kunnen permanent ontstoken gedeelten worden verwijderd. Bij colitis ulcerosa wordt soms wel eens de gehele dikke darm verwijderd en wordt de dunne darm rechtstreeks met de anus verbonden. Bij sommige patiënten moet een stoma worden aangelegd. Dat is een kunstmatige verbinding tussen het onderste uiteinde van de dunne darm of de dikke darm en een opening in de buikwand. De ontlasting verlaat dan het lichaam niet meer via het rectum en de anus, maar via de stoma.
Medicijnen
Ontstekingsremmers
Door behandeling met medicijnen genezen de darmontstekingen niet, maar wel kan
men de ontstekingsverschijnselen tijdelijk onderdrukken. Dat gebeurt met
ontstekingsremmers.
De werking van deze stoffen berust op een lokaal effect; het werkzame
bestanddeel komt in direct contact met het ontstoken darmslijmvlies. Bij colitis
ulcerosa
en bij de ziekte van Crohn kunnen in principe dezelfde middelen worden gebruikt.
Omdat colitis ulcerosa in de dikke darm gelokaliseerd is, kunnen bij deze
patiënten
de medicijnen via de anus worden toegediend, soms in de vorm van een zetpil maar
meestal met een klysma.
Het tot nu toe meest gebruikte middel is sulfasalazine (Salazopyrine®,
Sulfasalazine Suspensie FNA). Deze stof wordt in de darm onder invloed van bacteriën gesplitst
in 5-aminosalicylzuur en sulfapyridine. De eerste stof is verantwoordelijk voor
de
ontstekingsremmende werking, de laatste vooral voor bepaalde bijwerkingen, zoals
overgevoeligheid. Tegenwoordig geeft men dan ook de voorkeur aan alleen
5-aminosalicylzuur,
dat ook wel mesalazine (Asacol®, Mezavant®, Pentasa®,
Salofalk®) wordt genoemd. Er
zijn speciale tabletten ontwikkeld, zogenoemde maagsapresistente tabletten, die
ervoor
zorgen dat mesalazine pas in de dunne darm langzaam vrijkomt en daar zijn
werking
kan uitoefenen. Olsalazine (Dipentum®) is speciaal ontwikkeld voor de
behandeling
van colitis ulcerosa. Pas in de dikke darm namelijk wordt één molecuul van het
onwerkzame olsalazine door bacteriën uit de darmflora gesplitst in twee moleculen van het
werkzame
mesalazine, waarna de ontstekingsremmende werking kan beginnen. Deze preparaten
zijn bij colitis ulcerosa overigens beduidend effectiever gebleken dan bij de
ziekte van
Crohn.
Maag-darmklachten (misselijkheid,braken, diarree, buikpijn), hoofdpijn,
duizeligheid, moeheid, stemmingsveranderingen zijn de meest voorkomende
bijwerkingen.
Corticosteroïden
Als dit type ontstekingsremmers onvoldoende effectief is, kunnen sterker
werkende
ontstekingsremmers worden gegeven, namelijk
corticosteroïden (zie ook
'Bijnierschorshormonen' in de sectie 'Hormonen
& Stofwisseling').
Bij colitis ulcerosa wordt beclometason (Beclometason Klysma FNA), betamethason
(Betnesol Lavement®) of budesonide (Entocort®) als klysma toegediend.
Ook bestaat er een klysmacombinatie van beclometason met mesalazine
(Beclometason-Mesalazine Klysma FNA). In
vergelijking
met andere corticosteroïden is de kans op het ontstaan van bijwerkingen wat
kleiner,
omdat deze stoffen vooral op lokaal niveau (dikke darm) werkzaam zijn. Bij de
ziekte
van Crohn wordt tegenwoordig vaak budesonide (Budenofalk®, Entocort®) gebruikt
in de vorm van capsules met gereguleerde afgifte, die via de mond moeten worden
ingenomen. Als de ontstekingsverschijnselen onvoldoende reageren op deze lokaal
werkende corticosteroïden, kan het systemisch (dat wil zeggen in het hele
lichaam)
werkzame prednison (Lodotra®) worden ingezet, dat dan als tablet moet worden geslikt.
Langdurig
gebruik van corticosteroïden kan nare bijwerkingen veroorzaken (zie
hiervoor
bijwerkingen in het onderdeel
'Bijnierschorshormonen' in de sectie 'Hormonen
en Stofwisseling'); dat geldt vooral voor prednison-tabletten.
Immunosuppressiva
Als met name de ziekte van Crohn met bovengenoemde standaardmedicatie niet onder controle
is te krijgen,
worden
veel sterkere middelen gebruikt, namelijk de immunosuppressiva.
Dat zijn middelen die het afweersysteem van het lichaam onderdrukken. Ze worden
behalve bij de ziekte van Crohn ook toegepast om afstotingsreacties te
onderdrukken na orgaantransplantaties en bij de chemotherapie van kanker. Ciclosporine
(Neoral®, Sandimmune®), mercaptopurine (Puri-Nethol®),
methotrexaat (Emthexate®,
Metoject®, MTX) en azathioprine (Imuran®)
worden gebruikt om ernstige opvlammingen van de ziekte van Crohn te onderdrukken of te voorkomen. Ze
kunnen echter ernstige bijwerkingen hebben, zodat de patiënt regelmatig door de
arts gecontroleerd moet worden (zie ook
bijwerkingen in het
onderdeel 'Chemotherapie' in de sectie 'Kanker'). Bij colitis ulcerosa worden deze middelen niet
gauw gebruikt,
chirurgisch ingrijpen heeft dan doorgaans de voorkeur.
TNF-α-blokkers
Een geheel nieuwe ontwikkeling bij de behandeling van de ziekte van Crohn is de
komst van infliximab (Remicade®), enkele jaren later gevolgd door
adalimumab (Humira®). Deze stoffen behoren tot de zogenoemde
monoklonale
antistoffen. Deze antistoffen zijn identieke kopieën van bepaalde eiwitten die
voor de
afweerfunctie van het lichaam essentieel zijn. Ze worden ook wel 'biologicals'
genoemd. Zowel infliximab als
adalimumab blokkeren het zeer
agressieve
ontstekingseiwit tumornecrosefactor-alfa, dat wordt geproduceerd door bepaalde
witte
bloedcellen (T-lymfocyten) die massaal aanwezig zijn in de zieke darmwand.
Deze medicijnen worden TNF-α-blokkers
genoemd. Tot nu toe worden beide stoffen alleen gebruikt bij patiënten die niet (meer) reageren op
corticosteroïden
of immunosuppressiva en bij wie ernstige beschadigingen van de darmwand (zweren
en gaten) zijn ontstaan. Door de werking van infliximab – dat elke acht
weken
rechtstreeks via
een bloedvat (intraveneus) als infuus moet worden toegediend – en adalimumab -
dat elke twee weken met een onderhuidse (subcutane) injectie door de
patiënt zelf kan worden toegediend - kan de toestand van de
patiënt
binnen korte tijd (enkele weken) aanzienlijk verbeteren. In vergelijking met de
bij de ziekte van Crohn gebruikte immunosuppressiva
hebben deze TNF-α-blokkers veel minder bijwerkingen. De kans op infecties is echter
wel groter. De verwachting is dat de komende jaren nog andere effectieve
middelen
beschikbaar zullen komen voor de behandeling van chronische darmziekten.
Externe links:
http://www.cbo.nl (Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO)
http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
http://www.fk.cvz.nl
(Farmacotherapeutisch Kompas)
http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)
Worminfecties
Wormen in het spijsverteringskanaal komen vaak voor, vooral bij kinderen. Op
zichzelf
hoeft dat geen reden voor grote ongerustheid te zijn. Naar schatting heeft maar
liefst
de helft van de Nederlandse bevolking wormen, zonder er veel last van te hebben.
In
principe moeten wormen alleen worden bestreden als men er echt last van heeft.
De
klachten kunnen bestaan uit buikpijn, diarree of jeuk rond de anus.
In ons land komen bij de mens maar een paar soorten wormen voor. Verreweg de
belangrijkste wormsoort is de aarsmade of zandbakmade (oxyuren of
Enterobius).
Ze
worden vooral bij kinderen aangetroffen. Het zijn dunne, witte sliertjes van 1,5
tot 2 cm
lang, die in en rond de anus eitjes leggen en daar jeuk veroorzaken. Verder
komen spoelwormen (Ascaris) voor, die vooral in de dunne darm leven en 15 tot 30 cm
lang
kunnen worden. Zweepwormen (Trichuris) leven in de dikke darm en worden niet
langer
dan 4 cm. Mijnwormen (Ancylostoma) dringen via de huid naar binnen en leven in
het
eerste gedeelte van de dunne darm.
Lintwormen (Taenia) komen tegenwoordig niet meer zoveel voor. Besmetting kwam
vooral tot stand door het eten van besmet (rauw) vlees. Een lintworm kan meters
lang
worden.


Aarsmaden (zandbakmaden, oxyuren) in een petrischaal (links) en
80-maal vergroot (rechts).
In de tropen zijn veel meer soorten worminfecties mogelijk die ernstige aandoeningen kunnen veroorzaken zoals bilharzia en filariasis. Bilharzia is een worminfectie die bloederige diarree, bloedarmoede, bloed in de urine en pijn bij het plassen, spier- en gewrichtspijnen en chronische hoest kan veroorzaken. De medische term voor bilharzia is schistosomiasis. Besmetting vindt plaats bij het zwemmen in besmet, stilstaand zoet oppervlaktewater. De larven van deze worm dringen dan door de gezonde huid het lichaam binnen. Filariasis wordt veroorzaakt door verschillende soorten wormen of hun larven. Ze worden op de mens overgebracht door sommige muggen en vliegen. Verschillende organen kunnen worden aangetast, afhankelijk van het type worm, zoals een omvangrijke en pijnlijke zwelling van ledematen (de zogenoemde olifantsziekte (elefantiasis)) of aantasting van de ogen (rivierblindheid).
Wormmiddelen
Voor de bestrijding van worminfecties zijn goede
hygiënische maatregelen vaak al
voldoende: nagels kort houden, regelmatig handen en anus wassen, dagelijks het
ondergoed verschonen en geen rauw vlees eten. Helpt dat onvoldoende, dan kan een
wormmiddel (anthelminthicum) worden gegeven. Met mebendazol (Anti-Worm®,
Madicure®, Vermox®, Wormkuur®) zijn de genoemde wormen redelijk tot zeer goed te
bestrijden (zie ook
wormmiddelen
in het onderdeel 'Ziekteverwekkers & Antibiotica' in de sectie 'Infectieziekten'). Na inname verdeelt de stof zich over het maag-darmkanaal, maar wordt
niet of nauwelijks in het bloed opgenomen. Mebendazol is dan ook zeer veilig en
kan
ook door zuigelingen of zwangere vrouwen worden gebruikt. De worm gaat te gronde
doordat mebendazol de voedselopname (o.a. glucose) van de worm verhindert. Hoeveel en hoe lang
mebendazol moet worden ingenomen, is afhankelijk van het type worm dat bestreden
wordt. Bij een infectie met aarsmaden/zandbakmaden moet het hele gezin worden behandeld.
Bijwerken komen niet vaak voor, soms wat buikpijn of
diarree.
Hoewel lintwormen in Nederland niet meer zoveel voorkomen, reageren sommige soorten niet zo goed op mebendazol. Meestal is niclosamide (Yomesan®) dan het werkzamere alternatief. Bij de bestrijding van de meeste lintwormsoorten kan een eenmalige kuur in de vorm van tabletten worden ingenomen. Als is aangetoond dat het om de ‘dwerglintworm’ gaat, wordt een zevendaagse kuur aanbevolen. Ook niclosamide geeft weinig bijwerkingen.
Andere wormmiddelen zijn albendazol (Eskazole®), ivermectine (Stromectol®) en praziquantel (Biltricide®). Deze middelen worden doorgaans alleen gegeven bij infecties van wormsoorten die uit het Middellandse-Zeegebied, Afrika of Centraal Amerika afkomstig zijn. De kans op bijwerkingen is groter dan bij mebendazol en niclosamide.
Externe links:
http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
http://www.fk.cvz.nl
(Farmacotherapeutisch Kompas)
http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)