LUCHTWEGEN & ADEMHALING
HOOIKOORTS
|
inhoud |
| •
Allergie
• Hooikoortsseizoen • Preventie ▪ immunotherapie • Medicijnen ▪ antihistaminica ▪ cromoglicinezuur ▪ nasale corticosteroïden ▪ decongestiva |
De typische verschijnselen van hooikoorts zijn een verstopte neus of juist een loopneus, aanhoudend niezen, tranende ogen, jeuk in neus, ogen en keel. Deze ongemakken duren soms vele weken. Naar schatting heeft minstens 10 procent van alle mensen in Nederland er minstens één keer per jaar last van.
Hooikoorts heeft niets met koorts te maken, maar wel een beetje met hooi. Deze hinderlijke aandoening is namelijk het gevolg van overgevoeligheid (allergie) voor stuifmeel van gras (‘hooi’) en enkele boomsoorten (els, berk, wilg). Deze stuifmeelkorrels – ook wel pollen genoemd – bevatten zogenoemde allergenen (eiwitachtige structuren) die bij mensen die daarvoor overgevoelig (gesensibiliseerd) zijn, allergische reacties kunnen veroorzaken (zie ook de onderdelen 'Jeuk' en 'Huidallergieën' in de sectie 'Huid & Zintuigen'). Komt het neusslijmvlies via de buitenlucht in contact met een dergelijk allergeen, dan ontstaat een hevige reactie met bepaalde cellen (mestcellen) die zich in dat slijmvlies bevinden. Uit deze mestcellen wordt een zeer actieve stof vrijgemaakt, histamine genaamd, die allerlei reacties teweeg brengt. Verwijding van en vochtuittreding uit bloedvaten veroorzaken roodheid en zwelling van het slijmvlies; prikkeling van slijmklieren leidt tot een verhoogde slijm- en traanvorming. Histamine veroorzaakt ook jeuk, die niet alleen hinderlijk is, maar ook het niezen opwekt. Het gezwollen neusslijmvlies en het waterige slijm dat wordt afgescheiden (loopneus) is vergelijkbaar met de verschijnselen bij een zware neusverkoudheid. Neusverkoudheid heet in het medische jargon rinitis, terwijl hooikoorts pollinose of allergische rinitis (rhinitis allergica) wordt genoemd.

Via het stuifmeel (pollen) vindt de bestuiving
plaats bij planten, maar pollen in de lucht veroorzaken ook hooikoorts.
Indien ook oogklachten optreden, spreekt men van allergische conjunctivitis (zie ook 'Allergische conjunctivitis' in het onderdeel 'Oogaandoeningen' in de sectie 'Huid & Zintuigen'). Veelal zijn deze symptomen een onderdeel van hooikoorts, maar ze kunnen ook zelfstandig optreden door direct contact van allergenen (pollen, stof) met mestcellen in het oogbindvlies (conjunctiva) van het oog.
In de laatste 30 jaar is het optreden van hooikoorts fors gestegen; naar schatting één op de tien personen heeft jaarlijks last van hooikoorts.
Hooikoortsseizoen
Behalve dat neusverkoudheid meestal door een virus wordt veroorzaakt, is er nog
een ander verschil met hooikoorts. Van hooikoortsaanvallen heeft men vooral in
het voorjaar en in de zomer last, terwijl neusverkoudheid meestal in de herfst en
in de winter voorkomt. Wanneer men overgevoelig is voor stuifmeel van bomen, kan
de hooikoorts al in maart of april optreden, want dan bloeien de meeste bomen.
Mensen die overgevoelig zijn voor pollen van grassen, zullen vooral in juni,
juli en augustus last hebben, omdat dan de grassen bloeien en er ook wordt
gehooid.
Toch kunnen hooikoortsklachten ook wel eens in andere jaargetijden voorkomen. Het gaat dan om een overgevoeligheid voor andere ingeademde allergenen dan pollen, bijvoorbeeld huisstofmijtallergenen (de huisstofmijt is een minuscuul insectachtig beestje dat zich bij voorkeur in huisstof en beddengoed ophoudt) of huisdierallergenen. In zo’n geval noemt men het liever geen hooikoorts, maar allergische rinitis. Er bestaat ook een aandoening met vrijwel precies dezelfde klachten als bij hooikoorts, maar waarbij geen allergie kan worden vastgesteld. Men spreekt dan van hyperreactieve of vasomotorische rinitis (of rhinitis vasomotorica). Niet-allergische prikkels als stof, rook, temperatuurveranderingen, inspanning etc. kunnen dan reacties uitlokken.
In het algemeen is het niet moeilijk om vast te stellen of iemand hooikoorts heeft. De verstopte neus, de tranende ogen, het niezen en soms de hoofdpijn spreken boekdelen. Vooral als ze tijdens droog en zonnig weer optreden. Vaak blijkt dat bij andere familieleden ook hooikoorts of andere allergische aandoeningen (eczeem, astma) voorkomen. Door aanvullend bloedonderzoek kan bevestigd worden dat het echt om allergie gaat. Met huidpriktests kan worden bepaald welk (pollen)allergeen de boosdoener is. In de huid van de rug of de arm wordt een aantal verschillende allergenen ingespoten en aan de hand van de plaatselijke reacties van de huid kan men vaststellen voor welk allergeen men overgevoelig is.

De Leidse pollenkalender, samengesteld op basis
van pollentellingen.
Preventie
Bij de behandeling van hooikoorts moet men om te beginnen proberen het contact
met allergenen te vermijden. Bij pollenallergie zal men bij
buitenactiviteiten rekening moeten houden met de weersomstandigheden,
bijvoorbeeld door te luisteren naar het hooikoortsweerbericht. Ga bij mooi,
droog zomerweer niet zelf het gras maaien, plan de vakantie bij voorkeur in een
niet-pollenrijk gebied, bijvoorbeeld aan zee. Bij huisstofmijtallergie
kan men ook een aantal maatregelen nemen om contact met allergenen te vermijden.
Vochtbestrijding in huis, speciale, allergeenvrije hoezen voor matras en
hoofdkussen en een gladde vloerbedekking in de slaapkamer zijn soms heel nuttig.
Bij allergie voor huisdieren helpt alleen het wegdoen van het dier.
Immunotherapie
Men kan ook proberen de overgevoeligheid voor allergenen te verminderen door een
kuur met een aantal injecties. Dat heet immunotherapie of
hyposensibilisatie. Extracten van allergenen waarvoor men overgevoelig is,
worden onderhuids geïnjecteerd in een oplopende dosering, meestal wekelijks of
tweewekelijks gedurende drie tot vijf jaar. Niet alle (KNO-)artsen zijn enthousiast
over de resultaten van deze kuren. Soms verminderen de hooikoortsklachten binnen
enkele maanden, maar dat is nooit helemaal zeker. Er bestaat ook een korte kuur
van drie injecties vlak voor het pollenseizoen, maar daarvan staat helemaal niet
vast of hij werkt. De laatste jaren wordt ook toediening van allergeenextracten
via het mondslijmvlies (onder de tong, sublinguaal) gepropageerd alsmede
orale toediening (dus via de mond innemen) van diverse typen allergeenextracten. Dat zou
even effectief, maar een stuk veiliger zijn als toediening per injectie.
Er is tegenwoordig een enorm aanbod van allergeenextracten beschikbaar tegen de gangbare allergieën die hooikoortsklachten opwekken zoals graspollen, boompollen, huisstofmijt, katten en honden. Bekende namen van geregistreerde merkpreparaten op dit gebied zijn Alk®, Allergovit®, Alustal®, Alutard SQ®, Artuvac®, Depothal®, Grazax®, Novo-helisen®, Oralgen, Phostal®, Pollinex®, Purethal®, Slit one®, Staloral® en Sublivac®. Er zijn ook nogal wat niet-geregistreerde allergeenextracten op de markt, die niet voor vergoeding door de zorgverzekeraar in aanmerking komen. De hier genoemde preparaten hebben vaak verschillende doseerschema's. Tot nu toe zijn er geen aanwijzingen gevonden voor onderlinge verschillen in effectiviteit.
Medicijnen
Hooikoortsmedicijnen bestrijden of voorkomen alléén de klachten, maar doen niets
tegen de oorzaak en hebben ook geen invloed op het beloop van de allergie. Het
gaat hierbij om zogenaamde allergiemiddelen (ook wel anti-allergica
genoemd):
antihistaminica, lokaal via de neus of oraal (via de mond) toegediend;
cromoglicinezuur, via de neus toegediend;
nasale corticosteroïden, via de neus (nasaal) toegediend.
Daarnaast kunnen ook zogenaamde decongestiva worden gebruikt. Deze middelen doen het gezwollen neusslijmvlies slinken en kunnen tegen alle vormen van rinitis worden gebruikt ongeacht de oorzaak, dus ook tegen neusverkoudheid (zie ook 'Verkoudheid' in het onderdeel 'Luchtweginfecties' in de sectie 'Luchtwegen & Ademhaling').

Stroomdiagram van hooikoorts (allergische en vasomotorische
rinitis).
Er is een redelijke tot goede medicatiegevoeligheid voor de gebruikelijke hooikoortsmedicijnen (zie onderstaande tabel). De individuele variatie met betrekking tot de effectiviteit is echter groot. Bij de individuele patiënt kan in de loop der jaren de effectiviteit (sterk) veranderen. De medicatiegevoeligheid is met name groot bij de seizoensgebonden vorm van hooikoorts. Bij onvoldoende resultaat worden ook combinaties van antihistaminica met nasale corticosteroïden toegepast. De niet-seizoensgebonden vorm van hooikoorts reageert duidelijk minder goed op anti-allergica. Dat geldt in feite ook voor hyperreactieve of vasomotorische vorm van rinitis. Deze aandoening reageert doorgaans alleen op nasale corticosteroïden.
De werkzaamheid en werkingssnelheid van hooikoortsmiddelen
|
Type |
jeuk/niezen |
verstopping |
loopneus |
oogklachten |
werkingssnelheid |
|
antihistaminica |
+++ |
+/- |
++ |
+(+)* |
minuten-uren** |
|
cromoglicinezuur |
+ |
+/- |
+ |
+ |
vele dagen |
|
nasale corticosteroïden |
+++ |
++ |
+++ |
+ |
(enkele) dagen |
|
decongestiva |
- |
+++ |
+ |
+/- |
minuten |
- geen effect, +/- twijfelachtig
effect, + matig effect, ++ matig tot goed effect, +++ sterk effect
* afhankelijk van toedieningswijze: lokaal effectiever dan oraal
(via de mond)
** lokale antihistaminica werken sneller (10-15 minuten) dan orale
antihistaminica (uren)
Antihistaminica
In
principe zijn er twee behandelingsmogelijkheden: lokaal, met
neusdruppels, neusspray en eventueel met oogdruppels, en oraal, dat wil
zeggen met medicijnen die via de mond worden toegediend.
Meestal begint men bij de seizoensgebonden vorm van hooikoorts met een oraal
antihistaminicum.
Dat is een middel dat de werking van histamine – de stof die vrijkomt uit
de mestcellen na het contact met het allergeen – op de slijmvliezen en de
bloedvaten verhindert (zie ook de onderdelen 'Jeuk' en 'Huidallergieën'
in de sectie 'Huid & Zintuigen'). Het effect
is al enkele uren na het innemen merkbaar. Slikt men het middel in de verwachte
hooikoortsperiode trouw elke dag, dan bestaat de kans dat er helemaal geen
hooikoortsklachten ontstaan. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen de ‘sederende’ en de ‘niet-sederende’
antihistaminica. Bij de sederende antihistaminica gaat het om al wat oudere
geneesmiddelen die als bijwerking sufheid en slaperigheid (sedatie)
hebben. De antihistaminica die bij hooikoorts mogen worden
gebruikt, dienen altijd van het 'niet-sederende' type te zijn. Ze veroorzaken
dus geen sufheid en slaperigheid en hebben ook nauwelijks andere bijwerkingen. Ze mogen echter niet tijdens de
zwangerschap worden gebruikt. Veelgebruikte antihistaminica
zijn: cetirizine (Prevalin Allerstop®, Reactine®,
Zyrtec®) en loratadine (Allerfre®, Claritine®). Andere,
even effectieve antihistaminica die bij hooikoorts kunnen worden
gebruikt, zijn acrivastine (Semprex®), desloratadine (Aerius®,
Neoclarityn®), ebastine (Kestine®), fexofenadine (Telfast®),
levocetirizine (Xyzal®) en mizolastine (Mizollen®). Voor
jonge kinderen zijn ze vaak ook verkrijgbaar in vloeibare vorm
(drank of stroop).
Als de orale behandeling met een antihistaminicum om een of andere reden niet voldoet (onvoldoende effect, bijwerkingen) of niet gebruikt mag worden (zwangerschap), kan de hooikoorts lokaal worden behandeld. Het ligt voor de hand om dan antihistaminica te gaan gebruiken die via een neusdruppel of een neusspray worden toegediend, zoals azelastine (Allergodil®, Otrivin neusallergie®) of levocabastine (Livocab®). Beide preparaten hebben het voordeel dat ze snel werken (binnen 10 tot 15 minuten).
Cromoglicinezuur
Een andere optie dan antihistaminica is cromoglicinezuur (Allergo-COMOD®,
Cromoglicinezuur Neusspray®, Lomusol®,
Prevalin®) om hooikoortsklachten te voorkomen. Cromoglicinezuur
is een middel - behorende tot de zogenaamde cromonen - dat het vrijkomen van histamine uit de mestcellen remt. Een nadeel
is dat het niet meteen werkt. Het duurt zeker vele dagen tot weken voordat het
effect merkbaar is en het maximale effect wordt zelfs pas na enkele weken
bereikt. Het kan dus alleen preventief worden gebruikt. Daar staat tegenover dat het beslist geen bijwerkingen veroorzaakt.
Nasale corticosteroïden
Bij hardnekkige hooikoortsklachten die niet goed reageren op de genoemde
middelen, kunnen nasale (dus lokale) corticosteroïden worden toegediend.
Meer informatie over corticosteroïden is te vinden in het onderdeel 'Bijnierschorshormonen'
in de sectie 'Hormonen & Stofwisseling'. Nasale corticosteroïden hebben vooral een gunstige invloed op het sterk gezwollen
neusslijmvlies en zijn meestal effectiever dan antihistaminica of
cromoglicinezuur. Ze werken net als cromoglicinezuur pas na enkele
dagen. Veelgebruikte nasale corticosteroïden zijn beclometason,
budesonide (Rhinocort®), flunisolide (Syntaris®),
fluticason (Avamys®, Flixonase®),
mometason (Nasonex®) en triamcinolon (Nasacort®).
Omdat deze stoffen alleen in contact komen met het neusslijmvlies, beperken de
bijwerkingen zich tot irritatie van het neusslijmvlies, eventueel niesaanvallen
direct na toediening, soms neusbloedingen of reukverlies.
Decongestiva
Om een verstopte neus wat beter toegankelijk te maken voor een van de genoemde
medicijnen, kunnen neusdruppels of neussprays worden gebruikt om het gezwollen
neusslijmvlies te laten slinken. Deze middelen worden decongestiva
genoemd. Daarvoor komen oxymetazoline (Nasivin®, Vicks Sinex®)
of xylometazoline (Otrivin neusverkoudheid®, Xylometazoline
Neusdruppels/Neusspray FNA) in aanmerking. De neusdruppels mogen in principe
niet langer dan vijf dagen worden gebruikt, omdat ze een schadelijke werking op
het neusslijmvlies hebben.
Externe links:
http://nhg.artsennet.nl
(Nederlands Huisartsen Genootschap)
http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
http://www.fk.cvz.nl
(Farmacotherapeutisch Kompas)
http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)