MEDICIJNEN  op  MAAT

Terug

 

 

 

HomeAlgemeenZiektenMedicijnen

INFECTIEZIEKTEN

ZIEKTEVERWEKKERS & ANTIBIOTICA

INHOUD

Nuttige en schadelijke
   micro-organismen

Pasteur brengt licht in de
   duisternis

Een bijzondere ontdekking
Antibacterieel spectrum
Welk antibioticum?
Resistentie
Hoe lang gebruiken?
Bijwerkingen
De belangrijkste antibiotica:
   ▪
penicillinen
   ▪
cefalosporinen
   ▪
tetracyclinen
   ▪
macroliden
   ▪
sulfonamiden
   ▪
urinewegantibiotica
   ▪
chinolonen
   ▪ aminoglycosiden
   ▪
tuberculosemiddelen
   ▪
antimycotica
   ▪
antivirale middelen
   ▪ malariamiddelen
   wormmiddelen
   ▪
overige middelen

Vele soorten, microscopisch kleine organismen (micro-organismen) zijn in staat onze gezondheid te bedreigen. Het gaat om virussen, bacteriën, schimmels of eencellige parasieten (ook wel protozoën genoemd). Maar men moet vooral niet denken dat alle micro-organismen schadelijk zijn. Overal om ons heen, in de lucht, in het water en in de grond, maar ook op onze huid en op vele andere plaatsen in het lichaam, krioelt het immers van deze onooglijke wezentjes. De meeste doen gelukkig helemaal geen kwaad. Integendeel, ze zijn erg nuttig voor ons en voor onze omgeving. Denk maar aan de bacteriën die in ons maag-darmkanaal huizen en ons helpen bij de vertering van het voedsel. Deze darmbewoners noemt men de darmflora. Of denk aan de bacteriën in de huid en de slijmvliezen (mond, vagina) die ervoor zorgen dat schimmels niet de boventoon gaan voeren.

Sommige micro-organismen kunnen ons echter behoorlijk ziek maken. Deze ziekteverwekkers dringen het lichaam binnen via de luchtwegen of een andere lichaamsopening en proberen zich in zo kort mogelijke tijd te vermenigvuldigen. Meestal herkent ons afweersysteem deze boosdoeners, waarna het zal proberen ze onschadelijk te maken door de vorming van afweerstoffen (antistoffen) en door de mobilisatie van afweercellen (witte bloedcellen). Als de indringers ondanks deze tegenmaatregelen zich toch handhaven en zich blijven vermenigvuldigen, spreekt men van een infectie. Dan treden meestal pijn en koorts op, vaak gevolgd door een gestoorde functie van het weefsel of orgaan dat geïnfecteerd is. Behalve de ziekteverwekkers die van buiten het lichaam komen, zijn er – zoals gezegd – ook micro-organismen die in ons lichaam thuishoren.
Onder normale omstandigheden veroorzaken deze vaste logés dan ook geen ziekteverschijnselen. In bepaalde situaties – bijvoorbeeld als de weerstand van ons lichaam tijdelijk daalt – kunnen zij echter ook infecties veroorzaken. Steenpuisten (door stafylokokkenbacteriën in de huid) en urineweginfecties (door Escherichia coli-bacteriën uit de darm) zijn daarvan goede voorbeelden. Ons lichaam kan eventuele infecties vrijwel altijd zelf de baas. Denk maar aan een verkoudheid of griep. Soms schiet onze afweer echter tekort. De infectie kan dan zó ernstig worden dat er beschadigingen van weefsels of organen ontstaan waardoor het leven wordt bedreigd. In die gevallen moeten geneesmiddelen het lichaam te hulp schieten.

Steun 'Medicijnen op Maat':  een  OPROEP !

Pasteur brengt licht in de duisternis
Vóór 1935 waren er, behalve kinine tegen malaria en salvarsan (een zeer giftig, arsenicumbevattend preparaat uit 1910) tegen syfilis, geen werkzame medicijnen tegen infectieziekten. Het heeft ook heel lang geduurd voor men de eigenlijke oorzaak van infectieziekten ontdekte. Antoni van Leeuwenhoek had in 1676 met zijn zelfgemaakte microscopen al bacteriën en protozoën gezien, maar hun betekenis voor de ziekteleer heeft hij nooit beseft. Tot diep in de negentiende eeuw geloofde men dat een besmetting het gevolg was van blootstelling aan ‘miasmen’: uitwasemingen van rottende stoffen. Ook dacht men dat lagere organismen spontaan uit levenloze stof ontstonden; dit noemde men de generatio spontanea. Toch waren er ook al aanhangers van de theorie dat besmetting werd veroorzaakt door een ‘contagium vivum’, een levende smetstof. De Franse chemicus en bacterioloog Louis Pasteur (1822-1895) heeft door zijn baanbrekende experimenten uiteindelijk licht gebracht in deze eeuwenlange duisternis. Zo toonde hij aan dat gistingsprocessen (onder andere melkzuur- en alcoholgisting) door micro-organismen worden veroorzaakt. Op basis hiervan bewees hij dat voedingsmiddelen en dranken door gecontroleerde verwarming (pasteurisatie) langer goed konden worden gehouden. Nadat omstreeks de jaren zeventig van de negentiende eeuw de bacteriologische ontdekkingen elkaar in snel tempo opvolgden, was aan het begin van de twintigste eeuw een groot aantal ziekteverwekkers geïdentificeerd. Daarmee was de weg vrijgemaakt voor een gerichte aanpak, want het was nu in theorie mogelijk infecties te bestrijden door de ziekteverwekkers te doden.

Een bijzondere ontdekking
In 1928 deed de Britse arts-bacterioloog Alexander Fleming een bijzondere ontdekking. Hij zag dat een van de voedingsbodems waarop hij een bepaalde bacterie had gekweekt, namelijk de Staphylococcus aureus, geïnfecteerd was met een merkwaardige schimmel. Het bijzondere was dat rondom deze schimmel een bacterievrije zone was ontstaan. Dr. Fleming trok hieruit de conclusie dat de schimmel blijkbaar een product kan afscheiden dat bacteriën om zeep helpt. Pogingen om van de nieuwe stof, die inmiddels ‘penicilline’ was genoemd (afgeleid van de naam van de schimmel Penicillium notatum), een medisch toepasbare vorm te maken, zouden echter nog jaren in beslag nemen.
Pas halverwege de Tweede Wereldoorlog was de penicillineproductie in Amerika zodanig omvangrijk dat het middel op grote schaal aan het front in Noord-Afrika kon worden toegepast. Daarmee begon in feite de triomftocht van de antibiotica in de geneeskunde.

Het woord ‘antibioticum’ is afkomstig van het Griekse woord antibiose (anti = tegen en bios = leven). In ruimere zin betekent het de ongunstige invloed die (micro-)organismen op elkaar uitoefenen. Een antibioticum is dan ook een stof die door een levend micro-organisme wordt geproduceerd en andere micro-organismen kan doden of de groei ervan kan remmen. Ook chemisch bereide stoffen hebben deze eigenschappen, maar dan spreekt men van chemotherapeutica. Omdat tegenwoordig verscheidene antibiotica geheel of gedeeltelijk chemisch worden bereid, is het verschil nauwelijks meer van belang.

De meeste antibiotica werken alleen tegen bacteriën; tegen virussen zijn ze meestal niet effectief. Het heeft dus absoluut geen zin bij een verkoudheid of griep, die beide door een virus worden veroorzaakt, antibiotica te gebruiken. Men zegt wel eens spottend dat een griep mét antibiotica een week duurt en zónder antibiotica zeven dagen.
Tegen virusinfecties is tot nu toe maar weinig kruid gewassen. Bij de bestrijding van virusinfecties ligt de nadruk dan ook op het voorkómen van de ziekte. Dat doet men door de afweer een handje te helpen, namelijk door het opwekken van afweerstoffen met vaccins. Tegen infecties met schimmels en protozoën (bijvoorbeeld de parasiet die malaria veroorzaakt) zijn weer andere middelen werkzaam.


Een microscopische opname van een penicillineproducerende schimmel (
Penicillium notatum).

Antibacterieel spectrum
Een antibioticum werkt niet tegen alle typen bacteriën. Er zijn antibiotica die slechts enkele soorten bacteriën bestrijden: die noemt men smalspectrumantibiotica. Daarnaast bestaan er antibiotica die tegen veel méér bacteriesoorten werkzaam zijn: dat zijn breedspectrumantibiotica. Een belangrijk aspect hierbij is het onderscheid tussen zogenaamde grampositieve en gramnegatieve bacteriën. Dit onderscheid wordt vastgesteld via een bepaalde methode om bacteriën te kleuren - de zogenaamde Gram-kleuring, ontwikkeld door de Deense microbioloog Gram - en om ze onder een lichtmicroscoop zichtbaar te maken. Het verschil in kleuring - gramnegatief = rood en grampositief = blauwpaars - heeft te maken met de structuur van de celwand van de bacterie en daaruit voortvloeiende de gevoeligheid van de bacterie voor antibiotica. Grampositieve bacteriesoorten zijn bijvoorbeeld stafylokokken die zich doorgaans in de huid bevinden, of streptokokken, die vaak in de luchtwegen zijn te vinden. Voorbeelden van gramnegatieve bacteriën zijn colibacteriën die zich normaliter altijd in het darmkanaal bevinden als onderdeel van de darmflora, maar als ze - om welke reden dan ook - in de urinewegen terechtkomen hele vervelende urineweginfecties kunnen veroorzaken. Een ander voorbeeld van gramnegatieve bacteriën zijn salmonellabacteriën. Indien ze via verontreinigd drinkwater of besmet voedsel het lichaam binnenkomen kunnen zich gevaarlijke darminfecties ontwikkelen zoals buiktyfus of paratyfus. Als bepaalde typen antibiotica alleen werkzaam zijn tegen grampositieve bacteriesoorten zoals stafylokokken en streptokokken, dan noemen we ze smalspectrumantibiotica. Zijn ze daarentegen werkzaam tegen zowel grampositieve als gramnegatieve bacteriesoorten dan noemen we ze breedspectrumantibiotica.

Een goede arts zal - indien mogelijk - bij voorkeur een smalspectrumantibioticum geven. Breedspectrumantibiotica vernietigen namelijk veel méér dan alleen de bacteriën waardoor men ziek is geworden. Ook de vaste logés in de darmen leggen dan het loodje! De gevolgen van het gebruik van breedspectrumantibiotica kan men zich makkelijk voorstellen: diarree en andere klachten van het maag-darmkanaal komen dan frequent voor.

Welk antibioticum?
Het is voor een arts niet altijd gemakkelijk te bepalen welk antibioticum hij bij een bepaalde infectie moet geven. Van belang is dat in ieder geval de ziekteverwekker én zijn gevoeligheid voor antibiotica bekend zijn. Soms kan op basis van de diagnose worden vastgesteld welke bacterie de infectie heeft veroorzaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval bij ziekten als roodvonk, tetanus, lepra en syfilis. In andere gevallen kan met behulp van een gekleurd uitstrijkpreparaat (vaak een zogenaamde Gramkleuring, zie ook antibacterieel spectrum) van ontstekingsvocht of slijm en met een microscoop worden bepaald om welke boosdoener het gaat.

Bij ernstige infecties is vaak uitgebreider bacteriologisch onderzoek noodzakelijk. Niet alleen om de verwekker te identificeren, maar vooral ook om de gevoeligheid van de verwekker voor diverse antibiotica vast te stellen. Er wordt dan een zogenoemd antibiogram gemaakt. Op basis van deze gegevens kan de patiënt het meest werkzame antibioticum gaan gebruiken.

Resistentie
Micro-organismen kunnen een eigen afweer maken tegen antibiotica die tegen hen worden ingezet. Ze worden dan ongevoelig of resistent tegen deze middelen. Dat kan tot ernstige situaties leiden, vooral als één bepaalde ziekteverwekker tegen verschillende antibiotica resistent wordt. Een dergelijke situatie kan men zo veel mogelijk voorkomen door het gebruik van antibiotica tot het uiterste te beperken. Dus door geen antibiotica te slikken als het niet strikt noodzakelijk of zelfs volledig zinloos is, zoals bij een virusinfectie. Verder is het van belang dat alle ziekteverwekkers in één kuur met het geschikte antibioticum worden uitgeschakeld. Wanneer dat niet gebeurt, kan de infectie na enige tijd opnieuw opvlammen en is dan veel moeilijker te bestrijden door de aanwezigheid van resistent geworden bacteriën.

Hoe lang gebruiken?
Een kuur met antibiotica duurt vaak vijf tot zeven dagen, soms iets langer. Bij bepaalde infecties kan met een éénmalige dosering worden volstaan, bijvoorbeeld bij gonorroe (‘druiper’) of bij een blaasontsteking. De patiënt krijgt dan wel een hoge dosering van het antibioticum, waarvan in de praktijk gebleken is dat die net zo effectief is als een meerdaagse lagere dosering. In uitzonderingsgevallen moeten infecties zeer langdurig met antibiotica worden behandeld, zoals tuberculose, waarbij de behandeling zes tot negen maanden kan duren.

Bijwerkingen
De meest gangbare antibiotica zijn zeer veilig, maar tijdens het gebruik kunnen – zoals ook bij andere geneesmiddelen – bijwerkingen optreden. Klachten van het maag-darmkanaal komen nogal eens voor, meestal als gevolg van een verstoring van de bacteriën die een rol spelen bij de voedselvertering. Deze klachten uiten zich dan als misselijkheid, buikpijn, kramp, braken, winderigheid of diarree. Een ander type bijwerking van antibiotica is huiduitslag met jeuk. Deze bijwerking is meestal gebaseerd op allergie. Het vreemde van allergie is dat die zich pas kan voordoen als de patiënt het middel al vele malen heeft gebruikt, maar ook al bij de tweede keer. Is er sprake van allergie, dan moet een antibioticum uit een andere groep worden gebruikt. De allergie kan erg lang blijven bestaan, vaak zelfs levenslang.

Er kunnen ook bijwerkingen optreden als gevolg van interacties van antibiotica met hele andere typen medicijnen die een patiënt al veel langer gebruikt. Een belangrijk voorbeeld hiervan is de combinatie van bepaalde antibiotica met de anticonceptiepil (voorbehoedsmiddel tegen zwangerschap). Men vermoedt dat een aantal tot nu toe onverklaarde, ongewenste zwangerschappen daar het gevolg van zijn. Deze bijwerking treedt alleen op bij antibiotica met een breed spectrum die langere tijd (langer dan vijf dagen) achtereen intensief worden gebruikt.

Steun 'Medicijnen op Maat':  een  OPROEP !

De belangrijkste soorten antibiotica
Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste typen antibiotica (en chemotherapeutica) waarover we tegenwoordig kunnen beschikken.

Steun 'Medicijnen op Maat':  een  OPROEP !

Externe links:
    http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM)
    http://www.fk.cvz.nl (Farmacotherapeutisch Kompas)
    http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)

Terug