INFECTIEZIEKTEN
ZIEKTEVERWEKKERS & ANTIBIOTICA
Vele soorten, microscopisch kleine organismen (micro-organismen) zijn in staat onze gezondheid te bedreigen. Het gaat om virussen, bacteriën, schimmels of eencellige parasieten (ook wel protozoën genoemd). Maar men moet vooral niet denken dat alle micro-organismen schadelijk zijn. Overal om ons heen, in de lucht, in het water en in de grond, maar ook op onze huid en op vele andere plaatsen in het lichaam, krioelt het immers van deze onooglijke wezentjes. De meeste doen gelukkig helemaal geen kwaad. Integendeel, ze zijn erg nuttig voor ons en voor onze omgeving. Denk maar aan de bacteriën die in ons maag-darmkanaal huizen en ons helpen bij de vertering van het voedsel. Deze darmbewoners noemt men de darmflora. Of denk aan de bacteriën in de huid en de slijmvliezen (mond, vagina) die ervoor zorgen dat schimmels niet de boventoon gaan voeren.
Sommige micro-organismen kunnen ons echter behoorlijk ziek maken. Deze ziekteverwekkers
dringen het lichaam binnen via de luchtwegen of een andere lichaamsopening en
proberen zich in zo kort mogelijke tijd te vermenigvuldigen. Meestal herkent ons
afweersysteem deze boosdoeners, waarna het zal proberen ze onschadelijk te maken
door de vorming van afweerstoffen (antistoffen) en door de mobilisatie
van afweercellen (witte bloedcellen). Als de indringers ondanks deze
tegenmaatregelen zich toch handhaven en zich blijven vermenigvuldigen, spreekt
men van een infectie. Dan treden meestal pijn en koorts op,
vaak gevolgd door een gestoorde functie van het weefsel of orgaan dat
geïnfecteerd is. Behalve de ziekteverwekkers die van buiten het lichaam komen,
zijn er – zoals gezegd – ook micro-organismen die in ons lichaam thuishoren.
Onder normale omstandigheden veroorzaken deze vaste logés dan ook geen
ziekteverschijnselen. In bepaalde situaties – bijvoorbeeld als de weerstand van
ons lichaam tijdelijk daalt – kunnen zij echter ook infecties veroorzaken.
Steenpuisten (door stafylokokkenbacteriën in de huid) en
urineweginfecties (door Escherichia coli-bacteriën uit de darm)
zijn daarvan goede voorbeelden. Ons lichaam kan eventuele infecties vrijwel
altijd zelf de baas. Denk maar aan een verkoudheid of griep. Soms schiet onze
afweer echter tekort. De infectie kan dan zó ernstig worden dat er
beschadigingen van weefsels of organen ontstaan waardoor het leven wordt
bedreigd. In die gevallen moeten geneesmiddelen het lichaam te hulp schieten.
Pasteur brengt licht in de duisternis
Vóór 1935 waren er, behalve
kinine tegen malaria en salvarsan (een zeer giftig,
arsenicumbevattend preparaat uit 1910) tegen syfilis, geen werkzame
medicijnen tegen infectieziekten. Het heeft ook heel lang geduurd voor men de
eigenlijke oorzaak van infectieziekten ontdekte. Antoni van Leeuwenhoek had in
1676 met zijn zelfgemaakte microscopen al bacteriën en protozoën gezien, maar
hun betekenis voor de ziekteleer heeft hij nooit beseft. Tot diep in de
negentiende eeuw geloofde men dat een besmetting het gevolg was van
blootstelling aan ‘miasmen’: uitwasemingen van rottende stoffen. Ook
dacht men dat lagere organismen spontaan uit levenloze stof ontstonden; dit
noemde men de generatio spontanea. Toch waren er ook al aanhangers van de
theorie dat besmetting werd veroorzaakt door een ‘contagium vivum’, een
levende smetstof. De Franse chemicus en bacterioloog Louis Pasteur (1822-1895)
heeft door zijn baanbrekende experimenten uiteindelijk licht gebracht in deze
eeuwenlange duisternis. Zo toonde hij aan dat gistingsprocessen (onder andere
melkzuur- en alcoholgisting) door micro-organismen worden veroorzaakt. Op basis
hiervan bewees hij dat voedingsmiddelen en dranken door gecontroleerde
verwarming (pasteurisatie) langer goed konden worden gehouden. Nadat
omstreeks de jaren zeventig van de negentiende eeuw de bacteriologische
ontdekkingen elkaar in snel tempo opvolgden, was aan het begin van de twintigste
eeuw een groot aantal ziekteverwekkers geïdentificeerd. Daarmee was de weg
vrijgemaakt voor een gerichte aanpak, want het was nu in theorie mogelijk
infecties te bestrijden door de ziekteverwekkers te doden.
Een bijzondere ontdekking
In 1928 deed de Britse arts-bacterioloog Alexander Fleming een bijzondere
ontdekking. Hij zag dat een van de voedingsbodems waarop hij een bepaalde
bacterie had gekweekt, namelijk de Staphylococcus aureus, geïnfecteerd
was met een merkwaardige schimmel. Het bijzondere was dat rondom deze schimmel
een bacterievrije zone was ontstaan. Dr. Fleming trok hieruit de conclusie dat
de schimmel blijkbaar een product kan afscheiden dat bacteriën om zeep helpt.
Pogingen om van de nieuwe stof, die inmiddels ‘penicilline’ was genoemd
(afgeleid van de naam van de schimmel Penicillium notatum), een medisch
toepasbare vorm te maken, zouden echter nog jaren in beslag nemen.
Pas halverwege de Tweede Wereldoorlog was de penicillineproductie in Amerika
zodanig omvangrijk dat het middel op grote schaal aan het front in Noord-Afrika
kon worden toegepast. Daarmee begon in feite de triomftocht van de antibiotica
in de geneeskunde.
Het woord ‘antibioticum’ is afkomstig van het Griekse woord antibiose (anti = tegen en bios = leven). In ruimere zin betekent het de ongunstige invloed die (micro-)organismen op elkaar uitoefenen. Een antibioticum is dan ook een stof die door een levend micro-organisme wordt geproduceerd en andere micro-organismen kan doden of de groei ervan kan remmen. Ook chemisch bereide stoffen hebben deze eigenschappen, maar dan spreekt men van chemotherapeutica. Omdat tegenwoordig verscheidene antibiotica geheel of gedeeltelijk chemisch worden bereid, is het verschil nauwelijks meer van belang.
De meeste antibiotica werken alleen tegen bacteriën; tegen virussen zijn ze
meestal niet effectief. Het heeft dus absoluut geen zin bij een verkoudheid of
griep, die beide door een virus worden veroorzaakt, antibiotica te gebruiken.
Men zegt wel eens spottend dat een griep mét antibiotica een week duurt en
zónder antibiotica zeven dagen.
Tegen virusinfecties is tot nu toe maar weinig kruid gewassen. Bij de
bestrijding van virusinfecties ligt de nadruk dan ook op het voorkómen
van de ziekte. Dat doet men door de afweer een handje te helpen, namelijk door
het opwekken van afweerstoffen met vaccins. Tegen infecties met
schimmels en protozoën (bijvoorbeeld de parasiet die
malaria veroorzaakt) zijn weer andere
middelen werkzaam.

Een microscopische opname van een penicillineproducerende
schimmel (
Antibacterieel spectrum
Een antibioticum werkt niet tegen alle typen bacteriën. Er zijn antibiotica die
slechts enkele soorten bacteriën bestrijden: die noemt men
smalspectrumantibiotica. Daarnaast bestaan er antibiotica die tegen veel
méér bacteriesoorten werkzaam zijn: dat zijn breedspectrumantibiotica.
Een belangrijk aspect hierbij is het onderscheid tussen zogenaamde
grampositieve en gramnegatieve bacteriën. Dit onderscheid wordt
vastgesteld via een bepaalde methode om bacteriën te kleuren - de zogenaamde
Gram-kleuring, ontwikkeld door de Deense microbioloog Gram - en om ze onder
een lichtmicroscoop zichtbaar te maken. Het verschil in kleuring - gramnegatief
= rood en grampositief = blauwpaars - heeft te maken met de structuur van de
celwand van de bacterie en daaruit voortvloeiende de gevoeligheid van de
bacterie voor antibiotica. Grampositieve bacteriesoorten zijn
bijvoorbeeld stafylokokken die zich doorgaans in de huid bevinden, of
streptokokken, die vaak in de luchtwegen zijn te vinden. Voorbeelden van gramnegatieve
bacteriën zijn colibacteriën die zich normaliter altijd in het
darmkanaal bevinden als onderdeel van de darmflora, maar als ze - om welke reden
dan ook - in de urinewegen terechtkomen hele vervelende urineweginfecties
kunnen veroorzaken. Een ander voorbeeld van gramnegatieve bacteriën zijn
salmonellabacteriën. Indien ze via verontreinigd drinkwater of besmet
voedsel het lichaam binnenkomen kunnen zich gevaarlijke darminfecties
ontwikkelen zoals buiktyfus of paratyfus. Als bepaalde typen
antibiotica alleen werkzaam zijn tegen grampositieve bacteriesoorten
zoals stafylokokken en streptokokken, dan noemen we ze
smalspectrumantibiotica. Zijn ze daarentegen werkzaam tegen zowel
grampositieve als gramnegatieve bacteriesoorten dan noemen we ze
breedspectrumantibiotica.
Een goede arts zal - indien mogelijk - bij voorkeur een smalspectrumantibioticum geven. Breedspectrumantibiotica vernietigen namelijk veel méér dan alleen de bacteriën waardoor men ziek is geworden. Ook de vaste logés in de darmen leggen dan het loodje! De gevolgen van het gebruik van breedspectrumantibiotica kan men zich makkelijk voorstellen: diarree en andere klachten van het maag-darmkanaal komen dan frequent voor.
Welk antibioticum?
Het is voor een arts niet altijd gemakkelijk te bepalen welk
antibioticum hij
bij een bepaalde infectie moet geven. Van belang is dat in ieder geval de
ziekteverwekker én zijn gevoeligheid voor antibiotica bekend zijn. Soms kan op
basis van de diagnose worden vastgesteld welke bacterie de infectie heeft
veroorzaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval bij ziekten als roodvonk, tetanus, lepra en
syfilis. In andere gevallen kan met behulp van een gekleurd
uitstrijkpreparaat (vaak een zogenaamde Gramkleuring, zie ook
antibacterieel spectrum) van ontstekingsvocht of slijm en met een microscoop worden
bepaald om welke boosdoener het gaat.
Bij ernstige infecties is vaak uitgebreider bacteriologisch onderzoek noodzakelijk. Niet alleen om de verwekker te identificeren, maar vooral ook om de gevoeligheid van de verwekker voor diverse antibiotica vast te stellen. Er wordt dan een zogenoemd antibiogram gemaakt. Op basis van deze gegevens kan de patiënt het meest werkzame antibioticum gaan gebruiken.
Resistentie
Micro-organismen kunnen een eigen afweer maken tegen
antibiotica die tegen hen
worden ingezet. Ze worden dan ongevoelig of resistent tegen deze
middelen. Dat kan tot ernstige situaties leiden, vooral als één bepaalde
ziekteverwekker tegen verschillende antibiotica resistent wordt. Een dergelijke
situatie kan men zo veel mogelijk voorkomen door het gebruik van antibiotica tot
het uiterste te beperken. Dus door geen antibiotica te slikken als het niet
strikt noodzakelijk of zelfs volledig zinloos is, zoals bij een virusinfectie.
Verder is het van belang dat alle ziekteverwekkers in één kuur met
het geschikte antibioticum worden uitgeschakeld. Wanneer dat niet gebeurt, kan
de infectie na enige tijd opnieuw opvlammen en is dan veel moeilijker te
bestrijden door de aanwezigheid van resistent geworden bacteriën.
Hoe lang gebruiken?
Een kuur met antibiotica duurt vaak vijf tot zeven dagen, soms iets langer. Bij
bepaalde infecties kan met een éénmalige dosering worden volstaan, bijvoorbeeld
bij gonorroe
(‘druiper’) of bij een blaasontsteking. De patiënt krijgt dan wel een
hoge dosering van het antibioticum, waarvan in de praktijk gebleken is dat die
net zo effectief is als een meerdaagse lagere dosering. In uitzonderingsgevallen
moeten infecties zeer langdurig met antibiotica worden behandeld, zoals
tuberculose, waarbij de behandeling zes tot negen maanden kan duren.
Bijwerkingen
De meest gangbare antibiotica zijn zeer veilig, maar tijdens het gebruik kunnen
– zoals ook bij andere geneesmiddelen – bijwerkingen optreden. Klachten van het
maag-darmkanaal
komen nogal eens voor, meestal als gevolg van een verstoring van de bacteriën
die een rol spelen bij de voedselvertering. Deze klachten uiten zich dan als
misselijkheid, buikpijn, kramp, braken, winderigheid of diarree. Een ander type
bijwerking van antibiotica is huiduitslag met
jeuk. Deze bijwerking is meestal gebaseerd op allergie. Het
vreemde van allergie is dat die zich pas kan voordoen als de patiënt het middel
al vele malen heeft gebruikt, maar ook al bij de tweede keer. Is er sprake van
allergie, dan moet een antibioticum uit een andere groep worden gebruikt. De
allergie kan erg lang blijven bestaan, vaak zelfs levenslang.
Er kunnen ook bijwerkingen optreden als gevolg van interacties van antibiotica met hele andere typen medicijnen die een patiënt al veel langer gebruikt. Een belangrijk voorbeeld hiervan is de combinatie van bepaalde antibiotica met de anticonceptiepil (voorbehoedsmiddel tegen zwangerschap). Men vermoedt dat een aantal tot nu toe onverklaarde, ongewenste zwangerschappen daar het gevolg van zijn. Deze bijwerking treedt alleen op bij antibiotica met een breed spectrum die langere tijd (langer dan vijf dagen) achtereen intensief worden gebruikt.
De belangrijkste soorten antibiotica
Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste typen antibiotica (en
chemotherapeutica) waarover we tegenwoordig kunnen beschikken.
Penicillinen
Deze antibiotica zijn het langst bekend (vanaf de jaren veertig van de
vorige eeuw) en worden eigenlijk nog steeds het
meest toegepast. Ze behoren tot de veiligste geneesmiddelen die we kennen. In Nederland worden
ze uitsluitend inwendig (dus via de mond of injecties) gebruikt. Uitwendig
(bijvoorbeeld in zalven of oogdruppels) worden ze nooit meer toegepast in
verband met een verhoogd risico op het ontstaan van allergie.
Penicillinen behoren samen met de cefalosporinen tot de zogenaamde bètalactamantibiotica. Dit heeft
te maken met het feit dat dit type antibiotica in hun moleculaire structuur
allemaal een zogenaamde bètalactamring hebben die essentieel is voor
hun antibiotische werking.
Er zijn smalspectrum- en
breedspectrumpenicillinen (zie ook
antibacterieel spectrum). Tot de eerste groep behoren benzylpenicilline
(Penicilline G) en benzathinebenzylpenicilline (Penidural®), die alleen per injectie
kunnen worden toegediend. De middelen uit deze groep die oraal (dus via de
mond) worden toegepast zijn feneticilline
(Broxil®),
fenoxymethylpenicilline en flucloxacilline (Floxapen®). Ze
veroorzaken heel weinig bijwerkingen. De enige bijwerking die tot problemen
kan leiden, is overgevoeligheid of allergie. Toch is een
dergelijke penicillineallergie vrij zeldzaam: bij hooguit 1% van de personen
die ooit een penicillinepreparaat hebben gebruikt, is penicillineallergie
geconstateerd. De klachten beperken zich dan meestal tot huidreacties
(roodheid, blaasjes) en jeuk.
Tot de breedspectrumpenicillinen behoren
amoxicilline en piperacilline . Amoxicilline is een van de meest voorgeschreven antibiotica
ooit. Het kan zowel oraal (dus via de mond) als per injectie
worden toegediend. De laatste jaren wordt amoxicilline vaak gecombineerd met
clavulaanzuur (de combinatie heet dan Augmentin® of Forcid®). Dit vanwege de verminderde
gevoeligheid van bepaalde bacteriën voor amoxicilline. Het
clavulaanzuur in de combinatie remt het enzym in de bacterie dat
verantwoordelijk is voor de verminderde gevoeligheid, zodat de combinatie
nog steeds heel goed werkzaam is. Piperacilline kan alleen per
injectie worden toegediend. Het wordt beschouwd als een 'reserve'
antibiotiucum en wordt dan ook weinig gebruikt.
Amoxilline veroorzaakt meer
bijwerkingen dan de smalspectrumpenicillinen. Behalve maag-darmklachten
(vooral diarree) door beïnvloeding van de darmflora en huiduitslag door
een allergische reactie, kan het gebruik van amoxicilline ook
een mazelenachtige huiduitslag veroorzaken, die echter niet op een echte
allergie berust. Dit laatste verschijnsel is vaak éénmalig; als het gebruik
gestaakt wordt, kan het middel een volgende keer meestal zonder problemen
weer worden ingenomen. Bij een echte allergie kan dat niet.
Cefalosporinen
Deze antibiotica
lijken wat chemische structuur en eigenschappen betreft sterk op de
penicillinen. Ze
worden echter veel minder vaak toegepast omdat ze achter de hand worden gehouden
voor de behandeling van infecties die (levens)gevaarlijk zijn of (erg) moeilijk te bestrijden zijn,
meestal als gevolg van resistentieontwikkeling. Het
werkingsspectrum van de cefalosporinen loopt
nogal uiteen. Er zijn preparaten met een niet al te breed antibacterieel
werkingsspectrum (zie ook antibacterieel spectrum) zoals cefalexine (Keforal®) dat oraal toepasbaar
is, en cefalotine (Keflin®)
en cefazoline (Kefzol®) die alleen per
injectie kunnen worden toegediend; ze worden cefalosporinen van de
eerste generatie genoemd.
De tweede generatie heeft een iets
breder spectrum: het oraal werkzame cefaclor (Ceclor®) en
cefuroximaxetil (Zinnat®) en het parenteraal (per injectie)
werkzame cefamandol (Mandol®) en cefuroxim (Zinacef®).
De preparaten van de derde generatie hebben het breedste
werkingsspectrum: het oraal werkzame ceftibuten (Cedax®) en
het parenteraal werkzame cefotaxim (Claforan®), ceftazidim
(Fortum®) en ceftriaxon (Rocephin®).
De bijwerkingen van de cefalosporinen lijken sterk op die van
de penicillinen en zijn dus gering, terwijl de kans op
overgevoeligheid en allergie geringer is.
Tetracyclinen
Dit
zijn antibiotica met het breedste antibacteriële spectrum (zie ook
antibacterieel spectrum). Desondanks zijn ze bij veel
infectieziekten geen eerste keuze omdat ze nogal veel bijwerkingen
veroorzaken. De kans op maag-darmklachten is vrij groot, vooral omdat
tetracyclinen een antibiotische werking op de darmflora hebben. Ze mogen
beslist niet aan zwangere vrouwen worden voorgeschreven, omdat ze een
schadelijke werking hebben op de
skeletgroei van de ongeboren
vrucht. Ook door kinderen jonger dan 12 jaar mogen ze niet worden gebruikt.
De kans bestaat dat het gebit geelbruin verkleurt, terwijl er een grotere
kans op cariës (tandbederf) is. Het orale gebruik (via de mond) van
tetracyclinen in combinatie met zonlicht
kan soms tot huidafwijkingen leiden; men spreekt dan van fotodermatitis.
Een dergelijke afwijking uit zich als eczeem (zie ook 'Zonlicht
& Oververhitting'
in de sectie 'Verre reizen & Gezondheid') op de huiddelen die aan
zonlicht zijn blootgesteld.
Vertegenwoordigers uit
deze groep antibiotica zijn doxycycline (Doxy Disp®,
Efracea®,
Vibramycin®), minocycline en tetracycline. De bekendste en
meest gebruikte is doxycycline. Bij bacteriële ooginfecties zijn oogdruppels of oogzalven met
tetracycline wel vaak eerste keuze. Uiteraard is door de lokale toediening
de kans op bijwerkingen dan vrijwel uitgesloten.
Macroliden
Het gaat hier om hele nuttige antibiotica met
als oudste (uit 1952) en wellicht bekendste vertegenwoordiger erytromycine (Erythrocine®,
Erythrocine-ES®). Erytromycine heeft een antibacterieel spectrum (zie ook
antibacterieel spectrum) dat vrijwel
gelijk is aan dat van smalspectrumpenicillinen en is dan ook een goed alternatief voor
mensen die allergisch zijn voor penicillinen. Ook wordt het nogal eens
gebruikt bij bepaalde vormen van longontsteking, die ongevoelig zijn
voor penicillinen. De bijwerkingen zijn in het algemeen niet
ernstig van aard en treden niet erg vaak op. Wél kunnen soms hinderlijke
maag-darmstoornissen ontstaan: misselijkheid, buikpijn, kramp, braken,
winderigheid en diarree.
De nieuwere
macroliden als azitromycine (Zithromax®),
claritromycine (Klacid®) en
roxitromycine (Rulide®) hebben gunstiger eigenschappen en veroorzaken
minder maag-darmproblemen dan erytromycine. Tegenwoordig is
azitromycine het meest voorgeschreven macrolidepreparaat
vanwege de kortere behandelingsduur (doorgaans drie dagen), de éénmaaldaagse
toedieningsfrequentie en de goede
verdraagbaarheid.
In het rijtje macroliden hoort doorgaans ook clindamycine
(Dalacin®) te staan. Hoewel strikt genomen clindamycine niet
tot de macroliden behoort, hebben ze heel veel met elkaar
gemeen, zowel qua antibacteriële werking als qua bijwerkingen.
Sulfonamiden
Deze middelen worden ook wel sulfa’s genoemd en zijn al
tamelijk oud, eigenlijk nog
ouder dan de penicillinen. Het eerste sulfapreparaat (prontosil rubrum)
werd al in 1935 in de handel gebracht. Sulfonamiden zijn eigenlijk geen
antibiotica, maar chemotherapeutica; het zijn dus synthetische
stoffen. Hun werking verschilt echter weinig van die van echte antibiotica. Door
het vele ge(mis)bruik zijn veel bacteriën resistent tegen sulfonamiden
geworden. Ze worden zelden nog bij urineweginfecties gebruikt, waar
ze vroeger vaak voor werden voorgeschreven.
Het
combinatiemiddel co-trimoxazol (Bactrimel®) - een combinatie
van trimethoprim en sulfamethoxazol - is echter nog
onverminderd werkzaam en
wordt niet alleen nog steeds bij de wat ernstiger urineweginfecties gebruikt, maar ook
bij andere (long)infecties. Bijwerkingen van deze combinatie zijn maag-darmstoornissen (misselijkheid,
braken, diarree) en
huidreacties (roodheid, bultjes, jeuk).
Urinewegantibiotica
Dit
zijn middelen tegen ongecompliceerde urineweginfecties zoals blaasontsteking
(zie ook 'Urineweginfecties'
in de sectie 'Nieren & Urinewegen'). De
meest gebruikte middelen zijn trimethoprim
dat ook in co-trimoxazol (zie hierboven) zit, en nitrofurantoïne (Furabid®,
Furadantine MC®, Nitrofurantoïne suspensie LNA). Meestal hoeven deze middelen niet langer dan drie tot
vijf dagen te
worden gebruikt. Ze veroorzaken dan weinig bijwerkingen. Beide middelen
kunnen maag-darmstoornissen (misselijkheid, braken) geven, die gedeeltelijk
te voorkomen zijn door ze tijdens of vlak na de maaltijd in te nemen.
Trimethoprim kan tevens jeuk en huiduitslag geven. Fosfomycine
(Monuril®) wordt in een éénmalige (hoge) dosering gegeven en is dan eveneens
effectief. Tijdens de zwangerschap mogen trimethoprim en fosfomycine niet
worden gebruikt. Dan wordt meestal het combinatiepreparaat
amoxicilline/clavulaanzuur (Augmentin®, Forcid®) of nitrofurantoïne gegeven.
Chinolonen
Dit zijn antibiotica die vooral
werkzaam zijn tegen zogenaamde gramnegatieve bacteriën (zie ook
antibacterieel spectrum), waardoor ze vaak worden ingezet bij
urineweginfecties en darminfecties, maar ook bij bepaalde
longinfecties en SOA zijn ze goed bruikbaar. Tot de
chinolonen behoren ciprofloxacine (Ciproxin®),
levofloxacine (Tavanic®), moxifloxacine (Avelox®),
norfloxacine, ofloxacine (Tarivid®) en pipemidinezuur
(Pipram®). Norfloxacine en pipemidinezuur zijn alleen
nog bruikbaar (maar geen eerste keuze!) bij ongecompliceerde
urineweginfecties (blaasontsteking). De andere zijn ook te gebruiken
bij gecompliceerde urineweginfecties zoals prostatitis en
nierbekkenontsteking (zie ook 'Urineweginfecties'
in de sectie 'Nieren & Urinewegen').
Over het algemeen worden
chinolonen
goed verdragen; desondanks kunnen er wel degelijk bijwerkingen optreden. De
kans op maag-darmstoornissen (misselijkheid, diarree) is het grootst, de
kans op neurologische bijwerkingen (duizeligheid, hoofdpijn,
slaapstoornissen) en huidreacties is een stuk kleiner. Het gebruik bij
zwangere vrouwen en kinderen in de groeifase wordt ontraden wegens een
mogelijk remmend effect op de vorming van kraakbeen.
Aminoglycosiden
Hoewel deze antibiotica niet
vaak worden voorgeschreven en veel (ernstige) bijwerkingen kunnen
veroorzaken, zijn ze wel erg belangrijk met name in het ziekenhuis. Ze
kunnen namelijk levensreddend zijn bij moeilijk te bestrijden, ernstige
infecties waarvan de verwekker nog niet bekend is en waar - vanwege het
acute gevaar - snel moet worden ingegrepen. Amikacine, gentamicine
en tobramycine (Obracin®) zijn de middelen die voor dergelijke
ernstige infecties worden gebruikt. Ze worden uitsluitend per injectie,
meestal als intraveneus infuus (dus rechtstreeks via een ader) toegediend.
Hersenvliesontsteking, bloedvergiftiging (sepsis) en hartinfectie (endocarditis)
zijn belangrijke indicaties voor deze aminoglycosiden. De
bijwerkingen kunnen heftig zijn: doofheid en evenwichtsstoornissen die
irreversibel kunnen zijn, terwijl ook de nieren (ernstig) kunnen worden
beschadigd.
Een andere indicatie van gentamicine is het voorkómen en
behandelen van botinfecties door middel van het implanteren van een
gentamicine bevattende kralenketting (Septopal®) of
implantatiespons (Garacol®). Een andere indicatie van tobramycine
is de toepassing als inhalatievloeistof bij patiënten met
cystische fibrose, bekend onder de namen Bramitob® en Tobi®.
Tuberculosemiddelen
Dit zijn middelen die uitsluitend worden gebruikt bij de behandeling van
(long)tuberculose (zie ook 'Longtuberculose'
in het onderdeel 'Luchtweginfecties' in de sectie 'Luchtwegen &
Ademhaling' ). Ze worden ook wel tuberculostatica genoemd. Ze remmen of doden de tuberkelbacil en worden
meestal in een combinatie van twee, drie of zelfs vier verschillende
middelen gedurende vele maanden voorgeschreven.
De belangrijkste
tuberculosemiddelen zijn: ethambutol (Myambutol®), isoniazide (INH), rifabutine (Mycobutin®),
rifampicine (Rifadin®),
pyrazinamide en streptomycine.
Doordat deze middelen langdurig worden toegepast in diverse combinaties is
de kans dat er bijwerkingen ontstaan groot.
Antimycotica
Het gaat hier om middelen die uitsluitend tegen
schimmelinfecties kunnen worden
gebruikt. Daarvan wordt miconazol (Daktarin®, Dermacure®,
Gyno-Daktarin®) het meest gebruikt, vooral bij schimmelinfecties van de huid
(zie ook 'Schimmelinfecties'
in het onderdeel 'Huidinfecties' in de sectie 'Huid & Zintuigen')
en de vagina (zie ook 'Candidiasis
en vaginose' in het onderdeel 'SOA' in de sectie 'Voortplanting'). Bij deze aandoeningen wordt miconazol uitsluitend
lokaal als crème, strooipoeder,
huidspray, tinctuur, zuigtablet of vaginale capsules/crème toegepast. Andere
lokaal toegepaste antimycotica zijn benzoëzuur/salicylzuur
(Whitfield), bifonazol (Mycospor®), butoconazol
(Gynomyk®) ciclopirox (Loprox®),
clotrimazol (Canesten®, Canesten gyno®),
ketoconazol (Asquam®, Nizoral®), sulconazol (Myk®) en
terbinafine (Lamisil®). De kans op bijwerkingen is klein, soms
wat lokale irritatie.
Bij zeer
hardnekkige schimmelinfecties is het effectiever antimycotica
oraal (dus via de mond) te gebruiken zoals met itraconazol (Trisporal®),
fluconazol (Diflucan®) of terbinafine (Lamisil®). Het spreekt voor zich dat bij een orale toediening van
dergelijke middelen de kans op bijwerkingen groter is dan na lokaal gebruik.
Maagdarmstoornissen komen regelmatig voor, verder ook hoofdpijn,
huidreacties en smaakstoornissen.
Bij de behandeling van zogenaamde diepe mycosen - dat zijn
schimmelinfecties van inwendige organen - komen veel zwaardere middelen in
aanmerking zoals amfotericine B (Abelcet®, Ambisone®,
Amphocil®, Fungizone®), anidulafungine (Ecalta®),
caspofungine (Cancidas®), flucytosine (Ancotil®),
micafungine (Mycamine®),
posaconazol (Noxafil®) en voriconazol (Vfend®).
De meeste van deze middelen worden als intraveneus infuus
(rechtstreeks in een ader) toegediend, sommige ook oraal (via de
mond). Het spreekt voor zich dat het hier uitsluitend gaat om ziekenhuisbehandelingen. Uiteraard hebben
deze zware middelen flink wat bijwerkingen.
Antivirale middelen
Tegen virale infecties zijn nog maar betrekkelijk weinig middelen werkzaam.
Er zijn op dit moment verschillende typen antivirale middelen.
Een belangrijke groep wordt gevormd door de middelen die werkzaam zijn tegen
bepaalde herpesvirussen (zie ook
herpesinfecties). De
oudste en tevens bekendste vertegenwoordiger van deze groep is
aciclovir (Zovirax®). Dit middel wordt als
(oog)zalf bij herpes-simplex-infecties in het oog of op de huid
gebruikt, maar ook als tablet bij gordelroos (herpes zoster), of bij
genitale herpes (herpes genitalis). Bij een virale hersenontsteking (encefalitis)
wordt aciclovir via een intraveneus infuus (dus direct in de
bloedbaan) gegeven. Andere (nieuwere) middelen tegen herpesinfecties zijn
famciclovir en valaciclovir (Zelitrex®). De bijwerkingen
van aciclovir, valaciclovir en in iets mindere mate
famciclovir na oraal gebruik (dus als
tablet) zijn misselijkheid, hoofdpijn, vermoeidheid en huiduitslag.
De laatste twee decennia is een fors aantal
middelen op de markt gebracht die van groot belang zijn bij de behandeling van
aids-patiënten
en van mensen die HIV-positief zijn. Met deze
zogenoemde antiretrovirale middelen
- ze worden ook wel aidsremmers genoemd -
kan men aids weliswaar niet genezen, maar kan men wél de
ziekteverschijnselen uitstellen of verminderen. In 2011 waren maar liefst 24
middelen tegen aids geregistreerd in Nederland. Door een intensieve
combinatietherapie met meerdere antiretrovirale middelen wordt
aids niet meer als een dodelijke ziekte beschouwd maar als een ernstige,
chronische ziekte. Voor meer informatie over deze middelen, ga naar
aids
in het onderdeel 'SOA' in de sectie 'Voortplanting'.
Tegen de virusziekte griep (influenza) zijn de zogenoemde neuraminidaseremmers
ontwikkeld: oseltamivir (Tamiflu®) en zanamivir (Relenza®). Deze middelen
zijn niet in staat griep te genezen, maar verminderen de
klachten en de ziekteduur van een griepaanval enigszins. De jaarlijkse
griepvaccinatie blijft dus de belangrijkste vorm van grieppreventie (zie ook
griep
in het onderdeel 'Luchtweginfecties' in de sectie 'Luchtwegen &
Ademhaling').
Voor de therapie van hepatitis B en C, beide ernstige en moeilijk te
behandelen virusziekten (zie ook hepatitis), zijn tegenwoordig diverse opties zoals de
interferonen interferon-alfa (Intron
A®, Roferon A®)
en peginterferon-alfa (Pegasys®, Pegintron®) en bepaalde
andere typen antivirale middelen (zie ook 'Geelzucht,
Hepatitis en Levercirrose' in het onderdeel 'Aandoeningen van Lever
en Galwegen' in de sectie 'Spijsvertering & Lever').
Malariamiddelen
Strikt genomen zijn
malariamiddelen geen antibiotica, maar synthetische
middelen die alleen werkzaam zijn tegen malariaparasieten, de
verwekkers van malaria. Ze zijn dus niet
werkzaam tegen
virussen, bacteriën of schimmels. Malariaparasieten behoren namelijk tot de
zogenaamde protozoa, ééncellige (spore)diertjes die vele malen groter
zijn dan bacteriën maar toch nog tot de micro-organismen behoren omdat ze niet
met het blote oog zichtbaar zijn. Voor de acute malariabehandeling
komen in aanmerking artemether/lumefantrine (Riamet®),
artemotil (Artecef®), *atovaquon/proguanil (Malarone®),
*chloroquine(A-CQ 100 chloroquine®, Nivaquine®),
*hydroxychloroquine (Plaquenil®), kinine, *mefloquine
(Lariam®), primaquine en pyrimethamine (Daraprim®).
In
Nederland staat echter de malariaprofylaxe (het voorkómen van
malaria) op de voorgrond, omdat heel veel Nederlanders jaarlijks hun
vakanties doorbrengen in (sub)tropische malariagebieden. De hierboven met *
gemerkte malariamiddelen zijn ook geschikt bij de
malariaprofylaxe; ze worden dan in aanzienlijk lagere doseringen
voorgeschreven. Tevens worden proguanil (Paludrine®) en het
tetracyclinepreparaat doxycycline (Doxy Disp®,
Efracea®,
Vibramycin®) als malariaprofylactica gebruikt. Voor de bijwerkingen van
deze middelen wordt verwezen naar het onderdeel 'Malaria'
in de sectie 'Verre Reizen & Gezondheid'.
Wormmiddelen
Middelen dus tegen
parasitaire wormen, ook wel anthelmintica genoemd. Hoewel het bij wormen niet om een besmetting met micro-organismen
gaat, spreekt men toch van een infectieziekte (zie ook 'Worminfecties'
in het onderdeel 'Darmaandoeningen' in de sectie 'Spijsvertering &
Lever'). Mebendazol (Anti-Worm®,
Madicure®, Vermox®,
Wormkuur®) wordt gegeven tegen spoelwormen, aarsmaden en
lintwormen. Bijwerken komen niet vaak voor, soms wat buikpijn of diarree.
Hoewel lintwormen in Nederland niet meer zoveel voorkomen, reageren sommige
soorten niet zo goed op mebendazol. Meestal is niclosamide (Yomesan®)
dan het werkzamere alternatief. Ook niclosamide geeft weinig
bijwerkingen. Andere wormmiddelen zijn albendazol (Eskazole®), ivermectine (Stromectol®)
en praziquantel (Biltricide®). Deze middelen worden doorgaans
alleen gegeven bij besmettingen met wormsoorten die uit het Middellandse-Zeegebied,
Afrika of Centraal Amerika afkomstig zijn. De kans op bijwerkingen is groter dan
bij mebendazol en niclosamide.
Overige middelen
Metronidazol (Flagyl®). Tegen veelvoorkomende infecties van de vagina
(vaginitis)
veroorzaakt door ééncellige parasieten (Trichomonas vaginalis, de
infectie heet dan 'vaginale
trichomoniasis') of bepaalde bacteriën (ook wel 'bacteriële
vaginose' genoemd) wordt
meestal dit middel gegeven. Vier tabletten, die men
gelijktijdig moet innemen, zijn voldoende om deze hinderlijke infecties te
genezen. De partner – die meestal geen klachten heeft – moet worden
meebehandeld, omdat hij vaak een eventuele herinfectie veroorzaakt.
Ook wordt metronidazol toegepast bij de behandeling
van bepaalde darminfecties die door ééncellige parasieten worden
veroorzaakt (zie ook de onderdelen 'Dysenterie'
en 'Giardiasis' in het
gedeelte 'Darminfecties' in de sectie 'Spijsvertering & Lever'). Afgezien van wat maag-darmstoornissen (misselijkheid), een hinderlijke
metaalsmaak of hoofdpijn, wordt dit middel meestal goed verdragen. Tijdens
de behandeling (tot twee dagen na de laatste inname) mag geen alcohol worden gebruikt,
omdat een zogenoemde alcoholintolerantie kan ontstaan.
Metronidazol
kan ook lokaal
op de huid worden toegepast bij de behandeling van
rosacea
(zie ook 'Huidinfecties' in de sectie 'Huid & Zintuigen')
middels een crème of een gel. Het is dan verkrijgbaar onder de namen
Nidazea®, Rociced® of Rozex®.
Chlooramfenicol, was in de jaren vijftig van de vorige eeuw een
heel belangrijk breedspectrum antibioticum, werkzaam tegen vele
infectieziekten. Vele jaren na de introductie kwam men erachter dat dit
middel soms bloedafwijkingen kon veroorzaken. Hoewel deze afwijkingen
slechts zelden voorkwamen, waren ze soms toch zo ernstig dat mensen eraan
overleden. Dat dit pas zo laat werd ontdekt, had vooral te maken met het
feit dat de afwijkingen pas maanden ná de behandeling optraden. Dit heeft er
toe geleid dat chlooramfenicol alleen nog als oogdruppel of
oogzalf bij bacteriële ooginfecties mag worden gebruikt (zie ook
het onderdeel 'Oogaandoeningen'
in de sectie 'Huid & Zintuigen'). Omdat het hier om een lokale
toediening gaat, zullen die ongewenste bloedafwijkingen dan niet optreden.
Vancomycine (Vancocin®). Dit antibioticum wordt
heel weinig gebruikt, maar is wel erg belangrijk. Het wordt voornamelijk
gebruikt tegen ernstige
stafylokokkeninfecties die door resistentie-ontwikkeling vrijwel
onbehandelbaar zijn geworden. Het wordt voornamelijk als intraveneus infuus (dus
direct in de bloedbaan) toegediend. Het spreekt voor zich dat dit
middel uitsluitend in een ziekenhuis wordt gebruikt.
Externe links:
http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
http://www.fk.cvz.nl
(Farmacotherapeutisch Kompas)
http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)