INFECTIEZIEKTEN
IMMUNITEIT & VACCINATIE
|
INHOUD |
| •
Verhoging van de weerstand • Actieve en passieve immunisatie • Rijksvaccinatieprogramma ▪ bijwerkingen • Vaccinaties tegen andere infectieziekten |
Door iemand te vaccineren of in te enten wil men zijn weerstand verhogen of hem zelfs onvatbaar maken tegen bepaalde infectieziekten. Dat wordt immuniteit genoemd. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de eigenschap van het lichaam dat men na een doorgemaakte infectieziekte veel minder gevoelig of zelfs volledig ongevoelig wordt voor een nieuwe infectie met dezelfde ziekteverwekker. Deze ongevoeligheid kan tijdelijk zijn (enige maanden), maar kan ook vele jaren en zelfs levenslang duren.
De weerstand wordt verhoogd doordat het afweersysteem ‘antistoffen’ en 'afweercellen' gaat maken na contact met ziekteverwekkende micro-organismen. Dat kunnen virussen, bacteriën, schimmels of parasieten zijn. Men heeft zelfs antistoffen ontdekt tegen wormen. Bij een volgend contact met zo’n potentiële indringer staat het afweersysteem meteen op scherp om de aanval af te slaan.
Actieve en passieve immunisatie
Bij het vaccineren van mensen wordt in feite deze verhoogde paraatheid
opgeroepen zonder dat men de ziekte hoeft door te maken. Dat gebeurt door
injectie van ‘entstoffen’ die door het afweersysteem worden aangezien
voor ‘volwaardige’ ziekteverwekkers. Entstoffen zijn gedode of verzwakte
micro-organismen of producten daarvan, die zodanig zijn bewerkt dat ze zelf geen
ziekteverwekkende eigenschappen meer hebben. Op het moment dat er antistoffen
(sommigen spreken van antilichamen) in
het bloed verschijnen, is er een verhoogde weerstand opgewekt tegen een bepaald
type ziekteverwekker. Men noemt dit ook wel ‘actieve immunisatie’. Dit
moet worden onderscheiden van ‘passieve immunisatie’, waarbij ‘antiserum’
of een concentraat van gezuiverde antistoffen wordt geïnjecteerd. Een antiserum
is eigenlijk ‘serum’ (de celvrije vloeistof van het bloed) van dieren
(voornamelijk paarden) die besmet zijn met bepaalde ziekteverwekkers, waardoor
het serum veel antistoffen tegen deze ziekteverwekker bevat.
Bij antistoffen afkomstig van menselijk bloed spreekt men van ‘immunoglobulinen’. Passieve immunisatie wordt alleen uitgevoerd als iemand al besmet is of al ziekteverschijnselen heeft. Het eigen afweersysteem heeft dan nog niet voldoende antistoffen kunnen vormen om de indringers onschadelijk te maken. Met de geïnjecteerde antistoffen kan dat dan alsnog gebeuren. Actieve immunisatie wordt uitsluitend uitgevoerd ter voorkoming van infectieziekten; dus op een moment dat iemand niet ziek is. In bepaalde gevallen kan een vaccin ook bescherming bieden wanneer het – nadat besmetting heeft plaatsgevonden – in de incubatieperiode (de periode tussen het eerste contact met de ziekteverwekker en de eerste ziekteverschijnselen) wordt toegediend. Vaak wordt dan eerst een specifiek immunoglobuline (passieve immunisatie) gegeven voor onmiddellijke bescherming. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij tetanus, wanneer iemand die nooit eerder of langer dan vijftien jaar geleden is gevaccineerd, gewond raakt en de wond met straatvuil verontreinigd is.
Rijksvaccinatieprogramma
Vaccinaties worden al ruim tweehonderd jaar uitgevoerd. Nadat de Britse arts
Edward Jenner in 1795 ontdekte dat de vloeistof uit koepokken de mens tegen
pokken beschermde, paste hij als eerste een vaccin toe (de naam vaccin is afgeleid van
vacca, het Latijnse woord voor koe). In Nederland werd voor het eerst
tegen pokken gevaccineerd in 1810 in Rotterdam. In de loop van de negentiende
eeuw werd de vaccinatie op grotere schaal toegepast. Zonder pokkenbriefje mocht
een Nederlands kind niet naar school.
Tegenwoordig wordt de vaccinatie van de bevolking volgens een bepaald schema
uitgevoerd. Planmatige vaccinatie van kinderen gebeurt in het kader van het
Rijksvaccinatieprogramma. Daarmee wordt al op zuigelingenleeftijd begonnen,
terwijl de diverse vaccinaties op de schoolleeftijd gedeeltelijk worden
voortgezet. Het gaat om de (gratis) inenting tegen hepatitis B met het
hepatitis B-vaccin en tegen difterie, kinkhoest,
tetanus en kinderverlamming (poliomyelitis); deze laatste vier worden
gecombineerd in het zogenoemde DKTP-vaccin. Verder worden kinderen
ingeënt tegen bof, mazelen en rodehond met het BMR-vaccin
en tegen bacteriële
hersenvliesontsteking (meningitis)
met het Haemophilus influenzae type-B-vaccin, het
pneumokokkenvaccin en het meningokokken-C-vaccin. Een
jongetje is tot
zijn negende jaar met de diverse vaccinaties bezig en komt daarvoor acht keer
op het consultatiebureau of bij de GGD. Meisjes krijgen op hun 12e
jaar nog een vaccinatie met het (humaan) papillomavirusvaccin
tegen baarmoederhalskanker.
Van de kinderen in Nederland wordt meer
dan 95 procent gevaccineerd via het Rijksvaccinatieprogramma.
|
|
|||
|
leeftijd |
vaccinaties |
||
| Injectie 1 | Injectie 2 | Injectie 3 | |
|
0 maanden 2 maanden 3 maanden 4 maanden 11 maanden 14 maanden 4 jaar 9 jaar 12 jaar (meisjes) |
HepB DKTP+Hib DKTP+Hib DKTP+Hib DKTP+Hib BMR DKTP DTP HPV |
Pneu, HepB Pneu, HepB Pneu, HepB Pneu, HepB MenC BMR HPV |
HPV |
| HepB = hepatitis B-vaccin; D(K)TP: vaccin tegen difterie, (kinkhoest), tetanus, polio; Hib: Haemophilus influenzae type-B-vaccin; Pneu: pneumokokkenvaccin; BMR: vaccin tegen bof, mazelen, rodehond; MenC: meningokokken-C-vaccin; HPV: (humaan) papillomavirusvaccin | |||
Bijwerkingen
In de
praktijk is het niet mogelijk om bijwerkingen helemaal uit te sluiten. De meeste
reacties zijn mild. Soms zijn de klachten heftiger of langduriger. Gelukkig
komen ernstige bijwerkingen zelden voor. Ook moet men goed beseffen dat de
bijwerkingen in geen verhouding staan tot de ernst van de ziekte waartegen wordt
ingeënt. In het Rijksvaccinatieprogramma worden ruim 2,5 miljoen prikken per
jaar gegeven. In ongeveer 1000 gevallen wordt een mogelijke bijwerking gemeld.
Bij ruim 75% daarvan gaat het ook daadwerkelijk om een bijwerking. Ongeveer de
helft van deze
bijwerkingen beperkt zich tot lokale verschijnselen zoals pijn op de prikplek,
roodheid, zwelling en lichte, algemene ziekteverschijnselen. De rest van de bijwerkingen
betreft heftiger of ernstiger ziektebeelden. Voorbeelden zijn verkleurde benen,
langdurige of hoge koorts (40.5 oC of hoger), heftig ononderbroken
huilen (langer dan 3 uur), een collaps (wegraking), convulsies
(stuipen). Voor ouders betekenen dergelijke heftige reacties vaak een nare ervaring.
Kinderen houden er geen blijvende schade aan over. Bij de meeste vaccinaties in
het Rijksvaccinatieprogramma verschijnen de bijwerkingen op dezelfde dag en
duren ze niet langer dan 24 uur of bij uitzondering 48 uur. Na een BMR-vaccinatie
treden eventuele bijwerkingen pas na 5 tot 12 dagen op.
Een hardnekkig misverstand wordt gevormd door het gerucht als zouden
BMR-vaccinaties tegen bof, mazelen en rodehond kunnen
leiden tot autisme. Het is afkomstig van een artikel uit 1998 in het
wetenschappelijke tijdschrift The Lancet waarin Engelse
arts-onderzoekers beweerden 12 kinderen te hebben onderzocht, bij wie dit het
geval leek.
Het artikel leidde in Engeland tot veel paniek. De vaccinatiegraad van de
Engelse kinderen daalde en als
gevolg daarvan waren er uitbraken van mazelen. Achteraf bleken de
onderzoekresultaten door geen enkel vervolgonderzoek te worden bevestigd.
Inmiddels zijn de arts-onderzoekers veroordeeld wegens fraude met medische gegevens
en uit hun beroep als arts gezet.
Ook in Nederland heeft de Gezondheidsraad in 2007 onderzoek gedaan naar het
vermeende verband tussen de BMR-vaccinatie en autisme. De Gezondheidsraad heeft
hiervoor geen aanwijzingen voor gevonden.
De kans op bijwerkingen weegt ruimschoots op tegen de risico's die ongevaccineerde kinderen lopen. De veiligheid van alle typen vaccinaties wordt voortdurend in de gaten gehouden, onder andere door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Discussies over het nut en de veiligheid van vaccinaties worden voortdurend aangezwengeld, onder andere door de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken. Hoewel het goed is, dat ouders nadenken over het wel of niet geven van vaccinaties aan hun kinderen, en hierbij ook de aanwezige bijwerkingen meewegen, is de voorlichting door deze vereniging vaak niet-objectief en onjuist. Op haar website worden bijvoorbeeld vaak homeopathische of natuurgeneeskundige 'medicijnen', die nooit wetenschappelijk hun werking hebben bewezen, als alternatief voor vaccinaties aangeprezen. Ook heeft deze 'kritische' vereniging jarenlang tot aan de dag van vandaag de claim van de Engelse onderzoekers met betrekking tot het verband tussen BMR-vaccinaties en autisme, ondersteund.
Vaccinaties tegen andere infectieziekten
Pokkenvaccinaties
zijn al jaren niet meer nodig, omdat er sterke
aanwijzingen zijn dat het pokkenvirus definitief is uitgeroeid (onder andere door de
wereldwijde vaccinaties).
Voor griepvaccinaties met het influenzavaccin (Inflexal V®, Influvac®, Vaxigrip®) komen mensen in aanmerking die een verhoogd risico lopen op complicaties die bij griep (influenza) kunnen optreden, zoals patiënten met aandoeningen van de longen (astma en COPD), diabetespatiënten, hartpatiënten, nierpatiënten, patiënten met een verminderde weerstand (na een transplantatie, kankerbehandeling of radiotherapie). Ook aan mensen vanaf 60 jaar en ouder wordt een griepvaccinatie geadviseerd (en vergoed), zie ook griep in het onderdeel 'Luchtweginfecties' in de sectie 'Luchtwegen & Ademhaling'. Doordat het griepvirus jaarlijks verandert en de antistoffen langzaam uit het lichaam verdwijnen, moet men voor optimale bescherming elk jaar een nieuwe prik halen. Gezonde mensen die niets mankeren, hebben de griepprik niet echt nodig.
Sinds 2010 bestaat de mogelijkheid middels vaccinatie met het zogenaamde varicella zostervaccin (Provarivax®, Zostavax®) het optreden van gordelroos en postherpetische neuralgie te voorkomen. Het is bestemd voor personen ouder dan 50 jaar. Recent onderzoek toonde aan dat vaccinatie van 60-jarigen en ouder het aantal gevallen van gordelroos halveerde en dat er bovendien een reductie was van de ernst van postherpetische neuralgie (zie ook 'Gordelroos en postherpetische neuralgie' in het onderdeel 'Neurogene Pijn' in de sectie 'Pijn & Pijnbestrijding').
Tegen tropische infectieziekten kunnen reizigers die veel in de tropen komen,
zich door vaccinaties beschermen. Zoals
tegen:
- buiktyfus: tyfusvaccin (Typherix®, Typhim
Vi®, Vivotif®);
- cholera: choleravaccin (Dukoral®);
- gele koorts: gelekoortsvaccin (Stamaril®)
- hepatitis A: hepatitis
A-vaccin (Avaxim®, Epaxal Berna®, Havrix®, Vaqta®);
- hepatitis B: hepatitis B-vaccin (Fendrix®,
Engerix-B®, HBVAXPRO®)
- hondsdolheid: rabiësvaccin (Rabiësvaccin Mérieux®, Rabipur®);
- Japanse encefalitis: japanse-encefalitisvaccin (Ixiaro®);
- tuberculose: BCG-vaccin.
Zie ook het onderdeel 'Tropische
Infectieziekten' in de sectie 'Verre Reizen & Gezondheid'.
Externe links:
http://www.rivm.nl
(Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
http://www.fk.cvz.nl
(Farmacotherapeutisch Kompas)