SUIKERZIEKTE
Glucose is de belangrijkste energiebron van het lichaam. Deze stof is onder meer afkomstig uit koolhydraten uit de voeding of uit suiker uit de suikerpot. De koolhydraten en de suiker worden in het maag-darmkanaal omgezet in glucose en vervolgens opgenomen in het bloed. Via het bloed wordt de glucose naar alle organen en weefsels vervoerd waar energie wordt verbruikt. Omdat de stof via het bloed wordt getransporteerd, spreekt men vaak over de bloedglucose- of bloedsuikerspiegel (spiegel = gehalte of concentratie). Vooral spieren en hersenen hebben veel glucose nodig. Om de lichaamscellen te kunnen binnendringen heeft glucose het hormoon insuline nodig. Dit hormoon wordt in de alvleesklier (pancreas) gevormd, in het bijzonder in bepaalde cellen van de ‘eilandjes van Langerhans’. Hier wordt ook het hormoon glucagon geproduceerd, dat in veel opzichten de natuurlijke tegenhanger van insuline is. Beide hormonen zijn van belang bij:
de opslag van glucose in de vorm van koolhydraat (glycogeen) en vet;
het vrijmaken van deze energiereserves tijdens vasten, arbeid, stresssituaties enzovoort;
het zo constant mogelijk houden van de bloedglucosespiegel.
De weefsels waarin insuline haar belangrijkste werking uitoefent, zijn de lever, de spieren en het vetweefsel. Hersenen en zenuwweefsel daarentegen hebben nauwelijks insuline nodig om in hun glucosebehoefte te voorzien.
De belangrijkste prikkel voor insulineafgifte is een te hoge bloedglucosespiegel, maar ook andere factoren kunnen het vrijmaken van insuline bevorderen. Het belangrijkste effect van insuline is verlaging van de bloedglucosespiegel door glucose beter in de lichaamscellen te laten binnendringen en als glycogeen in de lever en spieren op te slaan. De prikkel voor glucagonafgifte is juist een te lage bloedsuikerspiegel.
Te weinig insuline
De stofwisseling van koolhydraten, maar ook die van vetten en
eiwitten, wordt ernstig verstoord als in de alvleesklier geen of te weinig
insuline wordt geproduceerd en vrijgemaakt. Lang voor onze jaartelling werd al
melding gemaakt van een ziekte die werd gekenmerkt door enorme dorst, jeuk en
gewichtsverlies, en die gepaard ging met een overvloedige productie van urine
met een opvallend zoete smaak. De dood van lijders aan deze ziekte was
onvermijdelijk. Tegenwoordig spreekt men van suikerziekte of diabetes
mellitus (van het Griekse ‘diabainoo’, dat ‘doorheen gaan’ of
‘doorloop’ betekent, terwijl mellitus staat voor ‘honingzoet’).
Er zijn twee vormen van suikerziekte. Als de ziekte op jonge leeftijd ontstaat, spreekt men van diabetes type 1 (vroeger ook wel jeugddiabetes genoemd). Omdat deze vorm altijd met insuline wordt behandeld, spreekt men ook wel van insulineafhankelijke diabetes. De andere vorm van suikerziekte begint meestal pas na het veertigste levensjaar. Deze patiënten lijden aan diabetes type 2, ook wel ouderdomsdiabetes genoemd. Diabetes type 2 komt veel vaker voor dan diabetes type 1.
In Nederland hebben naar schatting 800.000 mensen suikerziekte, waarvan 250.000 die de ziekte hebben zonder het te weten. Terwijl ongeveer twee op de duizend mensen (0,2 procent) jonger dan 20 jaar suikerziekte (meestal type 1) heeft, kan de ziekte in de categorie van de 50-plussers bij tachtig op de duizend mensen (8 procent) worden aangetoond. Bij mensen van 65 jaar en ouder komt de ziekte zelfs bij honderd op de duizend mensen voor. De verwachting is dat door de vergrijzing en door de dramatische stijging van het aantal mensen met overgewicht het aantal patiënten nog aanzienlijk zal stijgen; in de komende tien tot vijftien jaar mogelijk tot circa 900.000 of meer. In de Verenigde Staten is de situatie nog veel erger. Door overgewicht en te weinig lichamelijke activiteit daalt de grens van de leeftijd waarop diabetes type 2 ontstaat, de laatste jaren dramatisch.
|
Symptomen bij diabetes |
|
|
-
huidinfecties |
Symptomen
Als de alvleesklier niet meer aan de toegenomen vraag naar insuline kan
voldoen, zal de bloedglucosespiegel stijgen en te hoog worden. Dat heet met een
medisch woord hyperglykemie. Daardoor gaan de nieren via de urine glucose
uitscheiden (glucosurie), samen met veel water. Eén van de eerste
klachten van suikerziekte is dan ook dat men veel en vaak moet plassen. Om de
dreigende uitdroging te compenseren, gaat men veel meer drinken dan normaal.
Omdat de glucose door het insuline-tekort onvoldoende als energiebron kan worden
gebruikt en er veel glucose met de urine verloren gaat, worden abnormaal veel
vetten en eiwitten als alternatieve energiebron aangesproken. Dan treden niet
alleen vermagering en zwakte op, maar worden ook zure afvalstoffen gevormd die
zich ophopen. Men spreekt dan van ‘ketoacidose’. Het gevolg is dat men
sneller gaat ademhalen en kortademig wordt. Vaak is een acetonachtige geur te
ruiken (de geur van overrijpe appels). Ten slotte kan men suf worden en zelfs in
coma (coma diabeticum) raken. Het geschetste ziektebeeld is dat van
diabetes type 1. Deze ziekte kan zich in een tijdsbestek van enkele weken tot
maanden openbaren.
Diabetes type 2 (ouderdomsdiabetes) verloopt veel sluipender en milder en wordt meestal bij toeval ontdekt. Soms wordt de diagnose pas gesteld als er complicaties optreden. De patiënt hoeft ook nauwelijks klachten te hebben. Soms zijn moeheid, enige malaise en jeuk (vooral aan de geslachtsdelen) de enige klachten.
Oorzaak en gevolg
Diabetes type 1 wordt beschouwd als een
auto-immuunziekte,
waarbij het afweersysteem het gemunt heeft op de eigen lichaamscellen, in dit
geval op de insulineproducerende cellen in de eilandjes van Langerhans in de
alvleesklier. Daarnaast zijn er erfelijke factoren die iemand ‘vatbaar’
maken voor diabetes type 1. Globaal geldt dat een broer of zus van iemand met
suikerziekte een kans van 5 procent heeft om zelf ook suikerziekte te krijgen.
De kans dat de nakomelingen van een patiënt suikerziekte krijgen, is ongeveer 6
procent; de vader geeft de ziekte vaker door (8 procent) dan de moeder (3
procent).
Diabetes type 2 (ouderdomsdiabetes) heeft een andere ontstaanswijze. Factoren die van belang zijn, zijn leeftijd en overgewicht. Er is zowel een verminderde gevoeligheid van de weefsels voor insuline – men spreekt dan van insulineresistentie – als een gestoorde insulineafgifte uit de alvleesklier. Vooral bij de ontwikkeling van insulineresistentie speelt het (te hoge) lichaamsgewicht een belangrijke rol.
Ongeacht het type kan suikerziekte op de lange duur beschadigingen veroorzaken van vele organen en weefsels. Hart- en vaataandoeningen – zo kunnen de kleine bloedvaten in het oognetvlies afwijkingen gaan vertonen (diabetische retinopathie), waardoor uiteindelijk blindheid kan ontstaan – nierfunctiestoornissen en plasproblemen, impotentie, zenuwbeschadigingen en vertraagde wondgenezing zijn veelvoorkomende gevolgen van suikerziekte als behandeling achterwege blijft of niet optimaal is. Ongeveer 80 procent van de patiënten met diabetes type 2 overlijdt aan een hartinfarct of aan een beroerte.
|
Een ziekte met historie |
|
In Oud-Egyptische papyrusrollen zijn diagnostische proeven beschreven om suikerziekte te herkennen. Daartoe werd urine van een patiënt op een lemen vloer gegoten om te zien of er bijen op afkwamen. Eigenlijk is deze proef tot in de negentiende eeuw in gebruik gebleven met het zogenoemde piskijken. Sinds de tijd van Galenus – een Grieks-Romeinse arts uit de tweede eeuw na Christus – was het urineglas een diagnostisch hulpmiddel: kleur, reuk, consistentie, helderheid, bezinksel én smaak van de urine maakten duidelijk wat de patiënt mankeerde. Als de urine te zoet smaakte, was de diagnose duidelijk: suikerziekte. In het verlengde hiervan is in 1889 per toeval ontdekt dat suikerziekte te maken heeft met de alvleesklier. De amanuensis van de artsen Mehring en Minskowsky merkte op dat vliegen bij voorkeur neerstreken op de urine van een hond waarbij voor proefnemingen zijn alvleesklier was verwijderd. Dit was de directe aanleiding tot de ontdekking dat het wegnemen van de alvleesklier suikerziekte tot gevolg heeft. In 1922 werd een diabetespatiënt voor het eerst met succes behandeld met een extract van de eilandjes van Langerhans uit de alvleesklier. In 1926 bereidde Abel insuline in kristallijne vorm. In 1959 stelde Sanger de aminozuurvolgorde van het insulinemolecuul vast. Tot in de jaren negentig van de vorige eeuw werd slachtafval van varkens of runderen gebruikt voor de productie van insuline. In de jaren tachtig is een begin gemaakt om met recombinant-DNA-technieken menselijke insuline te produceren met behulp van bacteriën of gisten. Varkensinsuline en runderinsuline – die slechts zeer weinig afwijken van menselijke insuline – worden in Nederland dan ook niet meer gebruikt. |
Insulinetherapie bij diabetes type 1
Patiënten met diabetes type 1 moeten altijd met insuline worden
behandeld om in leven te blijven. Er moet dagelijks extra insuline worden
toegediend, omdat de alvleesklier veel te weinig insuline produceert (meestal
veel minder dan 20 procent van de hoeveelheid bij gezonde mensen; na enkele
jaren wordt zelfs helemaal geen insuline meer geproduceerd). Het probleem is dat
de insuline altijd per injectie moet worden toegediend. Toediening via de
mond is onmogelijk, omdat insuline door maag-darmsappen (insuline is immers een
eiwitachtig hormoon) wordt afgebroken. Meer dan driekwart van de
patiënten maakt gebruik van de zogenoemde insulinepen. Dit is een
injectiesysteem in penvorm, met een voorgevuld insulinepatroon en een dunne
injectienaald. Hiermee kan de patiënt zich op gezette tijden, vooral vlak voor
een maaltijd, onder de huid (subcutaan) een hoeveelheid insuline
toedienen. In vergelijking met vroeger, toen de patiënt voor elke injectie zelf
de injectiespuit moest vullen, is dit systeem een enorme verbetering.
Een andere ontwikkeling is het gebruik van een draagbare insuline-infusiepomp. Nog meer dan met de insulinepen wordt hiermee de natuurlijke insulineafgifte zoals bij gezonde mensen nagebootst. Dat gebeurt door de continue toediening van een zeer kleine hoeveelheid insuline via de pomp. De hoeveelheid die men nodig heeft, is afhankelijk van het bloedsuikergehalte, dat regelmatig moet worden gemeten. Dat kan de patiënt zelf doen via een vingerprik, maar nog mooier is een geheel automatisch systeem waarbij de insulinetoediening gestuurd wordt door een zogenoemde bloedsuikersensor. Hoewel dit systeem nog niet helemaal volmaakt is, verwacht men er op den duur veel van. Op dit moment wordt er nog volop mee geëxperimenteerd.
De afgelopen tien jaar zijn er op basis van de structuur van insuline insuline-achtige stoffen - zogenoemde insuline-analoga, waarbij de chemische samenstelling een heel klein beetje anders is dan het oorspronkelijke insuline - ontwikkelt die in principe dezelfde werking hebben, maar alleen verschillen vertonen in de snelheid van werking en in de werkingsduur.
Insulinepreparaten
Op basis van de snelheid waarmee een preparaat begint te werken en de totale
werkingsduur worden drie soorten insulinepreparaten onderscheiden.
Ultrakort- en kortwerkende insulinepreparaten. Deze preparaten zijn na 15 respectievelijk 30 à 45 minuten na inspuiting werkzaam. Het voordeel van een ultrakortwerkend preparaat is dat het vlak vóór de maaltijd kan worden toegediend en dat het maximaal werkt op het moment dat het glucosegehalte na de (koolhydraatrijke) maaltijd het hoogst is. De werkingsduur is 2 tot 5 uur. Voorbeelden van dergelijke ultrakortwerkende insulinepreparaten zijn Apidra®, Humalog® en Novorapid®. De kortwerkende preparaten zijn na 6 tot 8 uur uitgewerkt; voorbeelden zijn Actrapid®, Humaject Regular®, Humuline Regular®, Insuman Infusat®, en Insuman Rapid®.
Middellangwerkende en langwerkende insulinepreparaten. Als aan gewone insuline zink of het eiwit protamine wordt gekoppeld, komt de insuline langzaam vrij vanuit de injectieplaats. Het preparaat begint na 1 tot 2,5 uur te werken; de werkingsduur is 14 tot 24 uur. Voorbeelden zijn Humuline NPH®, Insulatard® en Insuman Basal®. Er zijn ook insuline-analoga met een dergelijke verlengde werking zoals Levemir® en Lantus®.
Mengsels van (ultra)kort- en middellangwerkende insulinepreparaten. Met deze mengsels wordt een snel begin van de werking nagestreefd (15 tot 45 minuten), die lang (12 tot 24 uur) aanhoudt. Met de mengsels is een wat geleidelijkere insuline-afgifte gedurende de gehele periode gewaarborgd. Voorbeelden zijn Humalog Mix®, Humuline®, Insuman Comb®, Mixtard® en Novomix®. Overigens bestaan er diverse van tevoren bereide preparaten met uiteenlopende mengverhoudingen
Normaal gesproken worden de patiënten individueel ingesteld op een insulinepreparaat. Een veel gehanteerd doseringsschema is driemaaldaags een (ultra)kortwerkende insuline vóór de maaltijd en een middellangwerkende insuline vóór de nacht. Daarbij kan de patiënt op basis van zelfgemeten bloedsuikerwaarden (middels een vingerprik) de insulinedosis aanpassen. Ook een tweemaal daags doseringsschema wordt nogal eens gehanteerd, waarbij meestal beide keren een mengsel van een (ultra)kort- en een middellangwerkende insuline wordt toegediend. Via de draagbare pomp worden alleen (ultra)kortwerkende insulinepreparaten toegediend.
Enkele jaren geleden is het insulinepreparaat Exubera® op de markt gebracht dat in plaats van per injectie per inhalatie, dus via de longen, wordt toegediend. Het zou een alternatief kunnen zijn voor diabetespatiënten die ernstige, aanhoudende problemen hebben op de injectieplaats (infecties, contactallergie). Voor een adequate insuline-instelling bij diabetes type 1 is de inhalatie-insuline niet erg geschikt gebleken; de ervaring leert dat het noodzakelijk is het gebruik te combineren met een (middel)langwerkend insulinepreparaat dat per injectie moet worden toegediend. Het gebruik bij patiënten met diabetes type 2 die onvoldoende reageren op orale antidiabetica (zie hieronder), wordt nog onderzocht. Een nadeel van Exubera® is het optreden van hoest bij 10 -20% van de patiënten.
De behandeling met insuline wordt vrijwel altijd ingesteld door een specialist; afhankelijk van de leeftijd van de patiënt is dat een kinderarts of een internist. Meestal worden dan ook een diabetesverpleegkundige en een diëtist ingeschakeld om met behulp van leefregels, voeding en voldoende lichaamsbeweging een nieuw evenwicht te vinden om gezond verder te leven.
|
Transplantatie als alternatief? |
|
Een geheel nieuwe optie,
die mogelijk van belang zal worden, is de behandeling van diabetes
type 1 door transplantatie van insulineproducerende cellen uit de
alvleesklier van een (overleden) donor. Doordat er steeds
verfijndere technieken beschikbaar komen om de afstotingsreacties
van de ontvanger te verminderen, is het in principe mogelijk gezonde
eilandjes van Langerhans bij een diabetespatiënt insuline te laten
produceren. |
Complicaties
Behalve dat het dagelijks injecteren van insuline ongemak veroorzaakt,
kunnen er ook complicaties optreden. Een zeer nare bijwerking doet zich voor als
er iets te veel of te kort na elkaar insuline wordt gespoten. De
bloedglucosespiegel wordt dan te laag (hypoglykemie, meestal kortweg ‘hypo’
genoemd), waardoor men zich slecht kan concentreren of slap en duizelig wordt.
Te laat of te weinig eten, extra lichamelijke inspanning of het gelijktijdig
gebruik van bepaalde andere geneesmiddelen kunnen ook leiden tot een te lage
bloedglucosespiegel. Het lichaam zal proberen dit tegen te gaan, onder andere
door het vrijmaken van adrenaline en glucagon. Daardoor kunnen
weer andere klachten ontstaan, zoals trillen, zweten, hoofdpijn of
hartkloppingen. Als desondanks de bloedglucosespiegel te laag wordt, kan men
zelfs buiten bewustzijn raken (hypoglykemisch coma). Voelt een patiënt
zo’n toestand aankomen, dan moet hij zo snel mogelijk suiker innemen, liefst in
vloeibare vorm (bijvoorbeeld vruchtensap, sportdrank of zoete limonade). Als de
patiënt buiten bewustzijn raakt, moet snel een injectie (onderhuids of in een
spier) met glucagon
(Glucagen®) worden toegediend. De injectie kan door iemand uit de naaste
omgeving van de patiënt worden gegeven (ouder, partner) die daarvoor speciaal
instructies heeft gekregen, of door een gewaarschuwde (huis)arts. Een
hypoglykemisch coma dat korter duurt dan vijf uur, veroorzaakt gelukkig geen
blijvende schade. Als patiënten langere tijd comateus zijn, zal de arts een
intraveneuze (dus rechtstreeks in een ader) injectie moeten geven met
glucose, dat dan effectiever is dan glucagon.

Stroomdiagram bij de behandeling van diabetes mellitus type 1 en type 2
Ouderdomsdiabetes
(diabetes type 2)
Patiënten met ouderdomsdiabetes (diabetes type 2) worden meestal door de huisarts
behandeld. In eerste instantie wordt geprobeerd een normaal bloedglucosegehalte
te krijgen door een dieet en gewichtsvermindering. Om dat laatste te bereiken,
zal de patiënt in ieder geval ook meer aan lichaamsbeweging moeten doen. Lijkt
deze aanpak niet te lukken, dan kunnen – afhankelijk van de klachten –
medicijnen worden voorgeschreven. Dit zijn zogenaamde orale antidiabetica, dus
medicijnen die na inname via de mond de suikerziekte bestrijden door de
bloedglucosewaarde te verlagen. Er zijn diverse
typen.
Sulfonylureumderivaten
Deze
middelen stimuleren de cellen van de eilandjes van Langerhans in de
alvleesklier, waardoor de insulineafgifte wordt verhoogd. Tot deze groep
behoren het mild werkende tolbutamide en de wat sterker- en langerwerkende
middelen van de tweede generatie, zoals glibenclamide, gliclazide
(Diamicron®), glimepiride (Amaryl®). De belangrijkste
bijwerking van deze sulfonulureumderivaten is hypoglykemie, een te
laag bloedglucosegehalte waardoor je slap en duizelig wordt. Deze
complicatie treedt vooral op bij de sterker werkende middelen met een lange
werkingsduur, zoals glibenclamide. De hypoglykemie kan sluipend en
soms zonder karakteristieke verschijnselen optreden. In verband hiermee wordt
in eerste instantie de voorkeur gegeven aan het relatief kortwerkende
tolbutamide boven de middelen van de tweede generatie. Een andere relatief
veel voorkomende bijwerking is gewichtstoename. Andere bijwerkingen komen
minder frequent voor en bestaan uit maag-darmstoornissen en huidreacties.
Biguaniden
De biguaniden verlagen
(waarschijnlijk) de afgifte van glucose door de lever tussen de maaltijden in.
Mogelijk verbeteren ze ook de gevoeligheid van de aangrijpingsplaatsen van
insuline, waardoor de glucoseopname in de lichaamscellen en weefsels
toeneemt. Omdat deze stoffen geen invloed hebben op de insulineafgifte door
de alvleesklier, hoeft men niet bang te zijn dat de bloedglucosewaarde te
laag wordt (hypoglykemie). Anders dan bij de
sulfonylureumderivaten,
gaat de lagere bloedglucosewaarde vaak gepaard met vermindering van het
lichaamsgewicht. Gezien deze werking wordt het enige in Nederland
verkrijgbare preparaat metformine
vooral toegepast bij diabetespatiënten met (veel) overgewicht. Bij deze
patiënten bestaat vaak een hoge insulineresistentie, waardoor
sulfonylureumderivaten minder goed werkzaam zijn. Metformine is tegenwoordig
het eerstekeuzemiddel bij alle patiënten met diabetes type 2, zowel met als
zonder overgewicht. De belangrijkste bijwerkingen zijn maag-darmklachten
(misselijkheid, braken en vooral diarree), meestal van voorbijgaande aard, en
een hinderlijke metaalsmaak.
Alfaglucosidaseremmers
Deze
middelen remmen de omzetting van koolhydraten in glucose in het slijmvlies
van de dunne darm, waardoor de opname van glucose wordt vertraagd. Tot nu
toe is acarbose (Glucobay®) het enige middel uit deze groep; het is
vooral van belang bij een te hoog bloedglucosegehalte na de maaltijden (postprandiale
hyperglykemie). Ook bij gebruik van dit medicijn zal de
bloedglucosewaarde niet te laag kunnen worden. De therapeutische waarde is
beperkt omdat ze geen invloed op de nuchtere bloedglucosewaarde hebben.
Bijwerkingen zijn flatulentie (winderigheid), darmkrampen en diarree.
Glitazonen
Deze stoffen worden ook wel thiazolidinedionen genoemd.
Ze verhogen de gevoeligheid
van spieren, vetweefsel en de lever voor insuline. Ze verminderen dus de
insulineresistentie. Omdat glitazonen tamelijk nieuwe middelen zijn, is er
nog niet zoveel ervaring mee opgedaan. Voorlopig worden ze alleen gebruikt in
combinatie met een sulfonylureumderivaat of met metformine bij
diabetespatiënten die moeilijk instelbaar zijn. Rosiglitazon
(Avandia®) en pioglitazon (Actos®) zijn de twee middelen uit deze
groep die in Nederland verkrijgbaar zijn. De belangrijkste bijwerkingen zijn
gewichtstoename (door vochtretentie), maag-darmklachten en een lichte vorm
van bloedarmoede. De kans op hypoglykemie is gering, ondanks hun goede
bloedglucoseverlagende werking.
Meglitiniden
Deze zijn evenals
glitazonen een groep middelen van recente datum. Wat de werking betreft lijken ze nog het
meest op sulfonylureumderivaten: in aanwezigheid van glucose
stimuleren ze de afgifte van insuline uit de alvleesklier. Ze werken echter sneller en korter,
waardoor ze vlak vóór iedere hoofdmaaltijd moeten worden ingenomen. Repaglinide (Novonorm®)
is tot nu toe
het enige middel van deze groep dat in Nederland is geregistreerd. De
bijwerkingen lijken op die van de sulfonylureumderivaten. Een eventuele
hypoglykemie is echter minder uitgesproken vanwege de korte werkingsduur van
deze middelen.
Overige middelen
In deze groep bevinden zich enkele interessante nieuwe middelen, waar in de
toekomst zeker het een en ander van wordt verwacht. Exenatide (Byetta®)
en liraglutide (Victoza®) zijn de eerste vertegenwoordigers van een groep bloedsuikerverlagende middelen
met een tamelijk uniek werkingsprincipe. Het nadeel van deze middelen is dat
ze per onderhuidse injectie moeten worden toegediend. Net als exenatide
verhogen ook saxagliptine (Onglyza®), sitagliptine (Januvia®)
en vildagliptine (Galvus®) de insuline-afgifte uit de
alvleesklier op een glucoseafhankelijke wijze maar volgens een ietwat ander
werkingsmechanisme. Deze middelen zijn wél via een tablet (dus oraal) in te
nemen. De bijwerkingen lijken mild van aard te zijn. Een
definitieve plaatsbepaling van deze middelen bij ouderdomsdiabetes is pas
mogelijk als de resultaten van veel meer klinisch onderzoek bekend zijn.
Combinatiepreparaten
Er is de laatste jaren een fors aantal vaste combinaties op de markt verschenen van de
hierboven genoemde middelen zoals glimepiride/rosiglitazon (Avaglim®),
metformine/glibenclamide (Glucovance®), metformine/rosiglitazon (Avandamet®),
pioglitazon/metformine
(Competact), sitagliptine/metformine (Janumet®) en vildagliptine/metformine (Eucreas®). Als de therapie met een
enkelvoudig middel (ook wel monotherapie genoemd) niet tot het
gewenste resultaat leidt, is het gebruik van een combinatie zeker een
zinvolle optie. Toch kiezen diabetesartsen doorgaans eerder voor een
combinatie van twee enkelvoudige middelen dan voor een vaste combinatie van
de zelfde werkzame bestanddelen. Hoewel het voor het gebruikersgemak van de
patiënt en de therapietrouw wellicht minder aantrekkelijk is, zijn de
doseringen van twee enkelvoudige middelen op individuele basis veel beter te
optimaliseren dan bij vaste combinaties, waarbij de onderlinge verhouding
van de doseringen door de fabrikant is bepaald. Vaste combinaties dienen
alleen te worden toegepast indien de benodigde doseringen van de
afzonderlijke bestanddelen overeenkomen met die in het combinatiepreparaat.
Wanneer welk
middel?
Bij de behandeling komt metformine vaak als eerste
in aanmerking (zie ook stroomdiagram). Wordt hiermee onvoldoende resultaat bereikt (ook na
dosisverhoging), dan moet metformine samen met een
middel uit een andere groep, in eerste instantie meestal met tolbutamide,
eventueel met repaglinide (Novonorm®) uitkomst bieden. Bij mensen die te zwaar zijn
('body-mass index' [BMI] > 27 kg/m2, zie ook
het onderdeel 'Voeding en Gezondheid' in de sectie 'Van Voeding
tot Doping'), wordt metformine dan bij
voorkeur gecombineerd met pioglitazon (Actos®), omdat het nadeel
van tolbutamide is dat het gewichtstoename veroorzaakt.
Wordt met deze combinaties van orale middelen de bloedglucosewaarde onvoldoende verlaagd, dan zal de arts overwegen alsnog insuline te geven zoals bij diabetes type 1. Hierbij kunnen twee strategieën worden gehanteerd. De eerste is dat een middellangwerkend insuline één keer per dag als avonddosering wordt toegediend, terwijl de orale medicatie met metformine al dan niet in combinatie met tolbutamide wordt voortgezet. Het eventuele gebruik van pioglitazon moet dan worden gestaakt. De tweede optie is een tweemaaldaagse insuline-toediening, eveneens met een middellangwerkend preparaat, in combinatie met alléén metformine (dus het gebruik van andere orale middelen moet dan worden gestaakt).
Tijdens de zwangerschap mogen geen van de hier genoemde orale antidiabetica worden gebruikt, maar dient de patiënte uitsluitend met insuline te worden behandeld. Ze moet dan worden ingesteld alsof ze diabetes type 1 heeft.
Controle
Nadat de patiënt op een geschikt middel is ingesteld, waarbij hij tijdens het
instellen elke maand moet worden gecontroleerd, zal hij de medicijnen in
principe de rest van zijn leven moeten gebruiken. Meestal wordt de patiënt om de
drie maanden gecontroleerd en worden de (nuchtere) bloedglucosewaarde en het
lichaamsgewicht bepaald. Gestreefd wordt naar een nuchtere bloedglucosewaarde
van 4,0-7,0 mmol/l en niet-nuchtere waarden lager dan 9,0 mmol/l.
Eenmaal per jaar wordt deze controle uitgebreid met een aantal specifieke aandachtspunten die betrekking hebben op de eventuele late gevolgen van suikerziekte (diabetische complicaties). Het gaat dan om controle van de ogen, voeten, bloeddruk, zenuwreflexen, bloedcholesterolwaarden, nierfunctie (creatininewaarde en hoeveelheid eiwit in de urine) en HBA1c-waarde in het bloed (ook wel GlycoHb genoemd, een maat voor de gemiddelde bloedglucosewaarde in de voorafgaande 6 tot 8 weken; deze waarde dient lager dan 7,0% te zijn). Er wordt in ieder geval nagegaan of de patiënt andere risicofactoren voor het ontwikkelen van hart- en vaatziekten heeft, zoals roken, hoge bloeddruk en hoge cholesterolwaarden. Bij een te hoog lichaamsgewicht zal de arts er altijd op moeten wijzen dat de patiënt moet afvallen, ondanks de (effectieve) medicijnen. Als dit uiteindelijk resultaat heeft, kan worden overwogen de medicatie te verminderen.
Andere risicofactoren
De combinatie van suikerziekte met hoge bloeddruk en/of te
hoge cholesterolwaarden in het bloed kan het risico van hart- en vaatziekten
(o.a. hartinfarct, beroerte) enorm vergroten. Het optreden van niet-fatale en
fatale hart- en vaatziekten is twee- tot viermaal hoger bij mannen en vier- tot
zesmaal hoger bij vrouwen met ouderdomsdiabetes. Ook moet men zich realiseren
dat diabetespatiënten gemiddeld vijf tot tien jaar korter leven.
Behalve een optimale bloedglucoseregulatie met orale antidiabetica of insuline dienen ook de genoemde risicofactoren optimaal te worden behandeld. Sinds enkele jaren adviseren het CBO (Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg) en het NHG (Nederlands Huisartsen Genootschap) alle patiënten met ouderdomsdiabetes een cholesterolverlagend middel te slikken van het type statines. Voor meer informatie over de werking en de indicatie van deze middelen wordt verwezen naar het onderdeel ‘Aderverkalking en Cholesterol’ in de sectie 'Bloed & Bloedsomloop'. De cholesterolverlagende werking komt binnen een tot twee weken tot stand en is maximaal binnen vier tot zes weken. Op basis van prijs en ervaring wordt in Nederland meestal simvastatine (Zocor®) voorgeschreven. Andere statines zijn atorvastatine (Lipitor®), fluvastatine (Lescol®), pravastatine (Selektine®) en rosuvastatine (Crestor®). Ze worden in het algemeen goed verdragen. Bijwerkingen zijn maag-darmstoornissen (misselijkheid, buikpijn, dyspepsie, flatulentie, obstipatie en diarree), die overigens vrij zelden zullen optreden. Soms treedt myopathie op (in 1-7% van de gebruikers) in de vorm van spierpijn, spierzwakte en spierkramp.
Diabetespatiënten met een hart- of vaatziekte (angina pectoris, doorgemaakt hartinfarct of herseninfarct) moeten in ieder geval dagelijks een bloedplaatjesremmer innemen: acetylsalicylzuur (Acetylsalicylzuur Cardio®, Acetylsalicylzuur Neuro®, Aspirine Protect®) of het calciumzout hiervan carbasalaatcalcium (Ascal ‘38’®, Ascal Cardio®, Carbasalaatcalcium Cardio®, Carbasalaat Neuro®) is de kans een stuk kleiner dat er een acuut hart- of een herseninfarct zal optreden (voor meer details zie ook 'Trombose' in de sectie 'Bloed & Bloedsomloop').
Diabetespatiënten met een te hoge bloeddruk moeten in ieder geval bloeddrukverlagende middelen (antihypertensiva) gaan gebruiken. Bij voorkeur worden ACE-remmers (in het onderdeel 'Hoge Bloeddruk' in de sectie 'Bloed en Bloedsomloop') voorgeschreven vanwege hun nierbeschermende werking.
Metabool syndroom
Het gaat hier om een combinatie van vier frequent voorkomende
aandoeningen. Deze aandoeningen zijn: hoge bloeddruk, suikerziekte, verhoogde
cholesterolwaarden in het bloed en overgewicht. En een vijfde afwijking die vaak
hiermee gepaard gaat, is proteïnurie, verhoogde eiwituitscheiding in de urine. Als
tenminste drie van bovenstaande aandoeningen zijn aangetoond wordt van 'metabool
syndroom' gesproken. Het gaat hier dus om factoren die allemaal te maken
hebben met de moderne Westerse leefstijl. Onderzoek heeft uitgewezen dat het een
stofwisselingsstoornis is die veroorzaakt wordt door een balansverstoring tussen
voedselopname en lichamelijke activiteit. Met andere woorden, te veel eten en te
weinig beweging, waardoor een verstoring optreedt in de regulatie van de
stofwisseling door de hersenen. Daarnaast spelen erfelijke eigenschappen en
leeftijd waarschijnlijk eveneens een rol.
Het metabole syndroom is de belangrijkste oorzaak van vroegtijdig ontstaan van aderverkalking (atherosclerose, zie ook 'Aderverkalking en Cholesterol' in de sectie 'Bloedsomloop'). Het risico op het krijgen van aderverkalking is vele malen verhoogd ten opzichte van mensen die niet lijden aan het metabool syndroom. Ernstige vormen van hart- en vaatziekten zoals het optreden van een hartinfarct of een beroerte, zijn hier het directe gevolg van. Door vroegtijdig symptomen op te sporen die passen bij het metabool syndroom en deze zo mogelijk preventief te behandelen, zijn de vooruitzichten voor mensen met deze aandoening veel gunstiger dan wanneer er pas ingegrepen wordt als er reeds klachten zijn.
Externe links:
http://nhg.artsennet.nl
(Nederlands Huisartsen Genootschap)
http://www.cbo.nl (Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO)
http://www.kiesbeter.nl (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
RIVM)
http://www.fk.cvz.nl
(Farmacotherapeutisch Kompas)
http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)